BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 21
Stoombesluit
1. Het gebruik van gietijzer is verboden voor:
a. ketels, voor het in werking brengen waarvan vergunning is vereist;
b. pijpleidingen en gedeelten daarvan, geen korte verbindingsstukken zijnde, als bedoeld onder g;
c. vaten, voor het in werking brengen waarvan vergunning is vereist en welke zodanig in een pijpleiding zijn opgenomen, dat zij als een gedeelte daarvan zijn te beschouwen;
d. van aangegoten tappen voorziene eindvlakken van vaten, welke op deze tappen om een horizontale of hellende as draaibaar zijn, indien de uitwendige middellijn van de eindvlakken meer bedraagt dan 1500 mm en tevens de werkdruk hoger is dan 3 bar;
e. de voor het sluiten van deksels vereiste knevels, alsmede voor huizen van kranen;
f. indien de werkdruk hoger is dan 3 bar, voor tuiten, bochtstukken en andere buisvormige verbindingsstukken aan een stoomketel of dampketel en voor huizen van afsluiters en kleppen, welke de vloeistofruimte van een ketel afsluiten;
g. indien de werkdruk hoger is dan 3 bar en tevens de som van de getallen, aangevende de middellijn van de doorlaatopening in millimeters en het zesvoud van de werkdruk, groter is dan 150, voor potten van veiligheidskleppen, voor huizen van afsluiters en kleppen, andere dan die bedoeld onder f, alsmede voor korte bocht-, spruit- en andere verbindingsstukken in pijpleidingen, met dien verstande, dat dit verbod niet geldt ten aanzien van onderdelen, waardoor vloeistof wordt gevoerd met een temperatuur lager dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar.
2. Het gebruik van brons, messing en roodkoper is verboden, wanneer de metaaltemperatuur meer kan bedragen dan 214°C.
3. Het Hoofd van de Dienst is bevoegd ten aanzien van de uitvoering van stoomtoestellen en damptoestellen en hun toebehoren eisen te stellen, alsmede het gebruik van bepaalde materialen te verbieden, indien hij deze voor het gestelde doel gevaarlijk of niet geschikt acht.
a. ketels, voor het in werking brengen waarvan vergunning is vereist;
b. pijpleidingen en gedeelten daarvan, geen korte verbindingsstukken zijnde, als bedoeld onder g;
c. vaten, voor het in werking brengen waarvan vergunning is vereist en welke zodanig in een pijpleiding zijn opgenomen, dat zij als een gedeelte daarvan zijn te beschouwen;
d. van aangegoten tappen voorziene eindvlakken van vaten, welke op deze tappen om een horizontale of hellende as draaibaar zijn, indien de uitwendige middellijn van de eindvlakken meer bedraagt dan 1500 mm en tevens de werkdruk hoger is dan 3 bar;
e. de voor het sluiten van deksels vereiste knevels, alsmede voor huizen van kranen;
f. indien de werkdruk hoger is dan 3 bar, voor tuiten, bochtstukken en andere buisvormige verbindingsstukken aan een stoomketel of dampketel en voor huizen van afsluiters en kleppen, welke de vloeistofruimte van een ketel afsluiten;
g. indien de werkdruk hoger is dan 3 bar en tevens de som van de getallen, aangevende de middellijn van de doorlaatopening in millimeters en het zesvoud van de werkdruk, groter is dan 150, voor potten van veiligheidskleppen, voor huizen van afsluiters en kleppen, andere dan die bedoeld onder f, alsmede voor korte bocht-, spruit- en andere verbindingsstukken in pijpleidingen, met dien verstande, dat dit verbod niet geldt ten aanzien van onderdelen, waardoor vloeistof wordt gevoerd met een temperatuur lager dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar.
2. Het gebruik van brons, messing en roodkoper is verboden, wanneer de metaaltemperatuur meer kan bedragen dan 214°C.
3. Het Hoofd van de Dienst is bevoegd ten aanzien van de uitvoering van stoomtoestellen en damptoestellen en hun toebehoren eisen te stellen, alsmede het gebruik van bepaalde materialen te verbieden, indien hij deze voor het gestelde doel gevaarlijk of niet geschikt acht.