BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 34
Stoombesluit
1. Een peilglas moet door af te sluiten kanalen met het stoomtoestel of damptoestel zijn verbonden. Is het glas cylindrisch, dan moet het zijn omgeven door een scherm, dat tegen het stuk stoten van het glas en het wegvliegen van de scherven daarvan voldoende beveiliging biedt en dat het waarnemen van de stand van het vloeistofpeil niet verhindert.
2. De af te sluiten kanalen van een peilglas, als in het voorgaande lid bedoeld, moeten afzonderlijk kunnen worden doorgeblazen, en indien het Hoofd van de Dienst dit nodig oordeelt kunnen worden doorgestoken.
Staat een peilglas in verbinding met een ruimte, waarin zich voor de omgeving gevaarlijke of schadelijke stoffen bevinden, dan moet het zijn voorzien van een zodanige afvoerpijp, dat de bij het doorblazen ontwijkende stoffen op veilige wijze worden afgevoerd.
3. Bevindt het vloeistofpeil in een ketel, welke van een peilglas of van twee peilglazen moet zijn voorzien, zich op een zodanige hoogte, dat de aanwijzing door het peilglas op de plaats voor het bedienen van de ketel moeilijk is waar te nemen, dan moet tevens een ander peiltoestel zijn aangebracht, hetwelk zodanig is ingericht, dat degene die de ketel bedient, van de stand van het vloeistofpeil gemakkelijk en met zekerheid kennis kan nemen.
Is dit peiltoestel voorzien van een cylindrisch glas, dan moet dit door af te sluiten kanalen met het overige gedeelte van het toestel zijn verbonden en zijn omgeven door een scherm, als in het eerste lid omschreven.
4. Indien het peilglas op de ketel is aangesloten door middel van pijpen of andere verbindingsstukken, welke langer zijn dan de dikte van de bekleding van de aangrenzende ketelwand vergt, mag de doorlaat van deze verbindingsstukken geen geringere middellijn hebben dan 30 mm; zijn twee peiltoestellen op de ketel aangesloten door middel van gemeenschappelijke pijpen of verbindingsstukken, dan mag de doorlaat daarvan geen geringere middellijn hebben dan 50 mm.
Het Districtshoofd kan, indien de aard van de in de ketel aanwezige stoffen zulks toelaat, toestaan, dat de middellijn van deze verbindingsstukken kleiner is dan die in de voorgaande volzin voorgeschreven.
5. Indien pijpen of andere verbindingsstukken, als in het voorgaande lid bedoeld, door de rookkanalen worden gevoerd, moeten zij afdoende tegen verhitting zijn beschermd.
2. De af te sluiten kanalen van een peilglas, als in het voorgaande lid bedoeld, moeten afzonderlijk kunnen worden doorgeblazen, en indien het Hoofd van de Dienst dit nodig oordeelt kunnen worden doorgestoken.
Staat een peilglas in verbinding met een ruimte, waarin zich voor de omgeving gevaarlijke of schadelijke stoffen bevinden, dan moet het zijn voorzien van een zodanige afvoerpijp, dat de bij het doorblazen ontwijkende stoffen op veilige wijze worden afgevoerd.
3. Bevindt het vloeistofpeil in een ketel, welke van een peilglas of van twee peilglazen moet zijn voorzien, zich op een zodanige hoogte, dat de aanwijzing door het peilglas op de plaats voor het bedienen van de ketel moeilijk is waar te nemen, dan moet tevens een ander peiltoestel zijn aangebracht, hetwelk zodanig is ingericht, dat degene die de ketel bedient, van de stand van het vloeistofpeil gemakkelijk en met zekerheid kennis kan nemen.
Is dit peiltoestel voorzien van een cylindrisch glas, dan moet dit door af te sluiten kanalen met het overige gedeelte van het toestel zijn verbonden en zijn omgeven door een scherm, als in het eerste lid omschreven.
4. Indien het peilglas op de ketel is aangesloten door middel van pijpen of andere verbindingsstukken, welke langer zijn dan de dikte van de bekleding van de aangrenzende ketelwand vergt, mag de doorlaat van deze verbindingsstukken geen geringere middellijn hebben dan 30 mm; zijn twee peiltoestellen op de ketel aangesloten door middel van gemeenschappelijke pijpen of verbindingsstukken, dan mag de doorlaat daarvan geen geringere middellijn hebben dan 50 mm.
Het Districtshoofd kan, indien de aard van de in de ketel aanwezige stoffen zulks toelaat, toestaan, dat de middellijn van deze verbindingsstukken kleiner is dan die in de voorgaande volzin voorgeschreven.
5. Indien pijpen of andere verbindingsstukken, als in het voorgaande lid bedoeld, door de rookkanalen worden gevoerd, moeten zij afdoende tegen verhitting zijn beschermd.