BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 32
Stoombesluit
1. Nabij veiligheidskleppen met veerbelasting en nabij de manometer, waarvan een stoomtoestel of damptoestel moet zijn voorzien, moet zich een contrôle-aansluiting, als bedoeld in artikel 14, lid 2, bevinden.
De manometer moet kunnen worden afgesloten en evenals de contrôle-aansluiting met het toestel zijn verbonden door een vloeistofhoudende pijp, welke, behoudens in het geval bedoeld in het volgende lid, moet kunnen worden doorgeblazen.
2. Het aanbrengen van een contrôle-aansluiting, als bedoeld in het voorgaande lid, is niet vereist, wanneer het Districtshoofd heeft verklaard dit, in verband met de eigenschappen van de zich in het toestel bevindende stoffen, ongewenst te achten.
3. De manometer moet de druk nauwkeurig kunnen aanwijzen en tenminste de druk kunnen aangeven, welke voor een eerste beproeving als persdruk overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, lid 1, is aangeduid. De schaal moet in bar of gelijke veelvouden daarvan zijn verdeeld en bij de wijzerstand, aangevende de toegestane werkdruk, van een duidelijk merkteken zijn voorzien.
4. De manometer moet op betrouwbare wijze zijn geijkt; in geval van twijfel omtrent de nauwkeurigheid van de aanwijzingen kan de betrokken ambtenaar van de Dienst herijking voorschrijven.
5. De manometer moet op een zodanige plaats zijn aangebracht, dat degene die het stoomtoestel of damptoestel bedient de wijzerstand gemakkelijk kan waarnemen.
6. De manometer mag niet op een afvoerleiding of op een veiligheidspot zijn aangesloten. Voor ruimten, welke geheel met vloeistof zijn gevuld, moet de manometer op het bovenste deel daarvan zijn geplaatst; in andere gevallen buiten het bereik van in die ruimte aanwezige vloeistof.
De manometer moet kunnen worden afgesloten en evenals de contrôle-aansluiting met het toestel zijn verbonden door een vloeistofhoudende pijp, welke, behoudens in het geval bedoeld in het volgende lid, moet kunnen worden doorgeblazen.
2. Het aanbrengen van een contrôle-aansluiting, als bedoeld in het voorgaande lid, is niet vereist, wanneer het Districtshoofd heeft verklaard dit, in verband met de eigenschappen van de zich in het toestel bevindende stoffen, ongewenst te achten.
3. De manometer moet de druk nauwkeurig kunnen aanwijzen en tenminste de druk kunnen aangeven, welke voor een eerste beproeving als persdruk overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, lid 1, is aangeduid. De schaal moet in bar of gelijke veelvouden daarvan zijn verdeeld en bij de wijzerstand, aangevende de toegestane werkdruk, van een duidelijk merkteken zijn voorzien.
4. De manometer moet op betrouwbare wijze zijn geijkt; in geval van twijfel omtrent de nauwkeurigheid van de aanwijzingen kan de betrokken ambtenaar van de Dienst herijking voorschrijven.
5. De manometer moet op een zodanige plaats zijn aangebracht, dat degene die het stoomtoestel of damptoestel bedient de wijzerstand gemakkelijk kan waarnemen.
6. De manometer mag niet op een afvoerleiding of op een veiligheidspot zijn aangesloten. Voor ruimten, welke geheel met vloeistof zijn gevuld, moet de manometer op het bovenste deel daarvan zijn geplaatst; in andere gevallen buiten het bereik van in die ruimte aanwezige vloeistof.