BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 30
Stoombesluit
1. Een uit één stuk bestaand gewicht, waarmede een veiligheidsklep wordt belast, of elk van de schijven, waaruit een gewicht is samengesteld, moet massief zijn en de massa van zulk een gewicht of schijf mag niet meer bedragen dan 25 kg.
2. De schijven moeten alle van dezelfde materiaalsoort zijn vervaardigd en mogen alleen in dikte verschillen; zij moeten stuksgewijze, doch niet door uitsluitend zijdelings verschuiven, afneembaar zijn.
3. De hefbomen moeten zodanig zijn ingericht, dat het gewicht aan de hefboom niet kan verschuiven.
4. Bij veerbelasting moet de inrichting zodanig zijn, dat bij breuk van de veer de klep niet geheel uit zijn geleiding kan worden gedrukt en dat, behalve in het geval bedoeld in artikel 31, lid 4, de klep kan worden gelicht.
5. Het instellen van de vereiste veerspanning moet geschieden door het verplaatsen van een van de uiteinden van de veren met behulp van schroefdraad. Nadat de juiste stand is bepaald, moeten stelringen of stelplaten worden tussengevoegd, die beletten, dat de veren sterker kunnen worden gespannen.
6. Indien de hoeveelheid damp, welke een veiligheidsklep kan afvoeren, regelbaar is, moet het instellen hiervan door middel van een zodanige inrichting geschieden, dat deze in de vereiste stand deugdelijk kan worden vastgezet.
2. De schijven moeten alle van dezelfde materiaalsoort zijn vervaardigd en mogen alleen in dikte verschillen; zij moeten stuksgewijze, doch niet door uitsluitend zijdelings verschuiven, afneembaar zijn.
3. De hefbomen moeten zodanig zijn ingericht, dat het gewicht aan de hefboom niet kan verschuiven.
4. Bij veerbelasting moet de inrichting zodanig zijn, dat bij breuk van de veer de klep niet geheel uit zijn geleiding kan worden gedrukt en dat, behalve in het geval bedoeld in artikel 31, lid 4, de klep kan worden gelicht.
5. Het instellen van de vereiste veerspanning moet geschieden door het verplaatsen van een van de uiteinden van de veren met behulp van schroefdraad. Nadat de juiste stand is bepaald, moeten stelringen of stelplaten worden tussengevoegd, die beletten, dat de veren sterker kunnen worden gespannen.
6. Indien de hoeveelheid damp, welke een veiligheidsklep kan afvoeren, regelbaar is, moet het instellen hiervan door middel van een zodanige inrichting geschieden, dat deze in de vereiste stand deugdelijk kan worden vastgezet.