BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 36
Stoombesluit
1. Elk voedingtoestel, waarmede een ketel moet zijn verbonden, moet zelfwerkend zijn, behoudens bij stoomketels, waarvan het product van de getallen, aangevende de toegestane werkdruk en het verwarmd oppervlak, het getal 10 niet overschrijdt, in welk geval een handpomp is geoorloofd.
2. Stoomketels, welke stoom leveren aan een stoomwerktuig, dat dient voor het voortbewegen van een vaar- of voertuig, en stoomketels, welke behalve aan een stoomwerktuig, tevens stoom leveren voor andere doeleinden, moeten zodanig met voedingtoestellen zijn verbonden, dat, ook wanneer het stoomwerktuig buiten werking is, de stoomketel voldoende kan worden gevoed.
3. Is een ketel met een of meerdere voedingtoestellen verbonden, dan moeten deze toestellen, onverminderd het bepaalde in de tweede volzin, in staat zijn de ketel voldoende te voeden.
Moet een stoomketel met meerdere voedingtoestellen zijn verbonden, dan moeten deze een zodanig vermogen hebben, dat, indien welk van deze voedingtoestellen ook buiten werking is, de ketel voldoende kan worden gevoed.
Indien een stoomketel door middel van twee voedingleidingen met de voedingtoestellen moet zijn verbonden, moeten deze toestellen zodanig aan de voedingleidingen zijn aangesloten, dat, indien welke van deze leidingen ook wordt afgesloten, de stoomketel voldoende kan worden gevoed.
4. Aan het einde van elke voedingleiding moet een terugslagklep zijn geplaatst, welke van de ketel moet kunnen worden afgesloten.
2. Stoomketels, welke stoom leveren aan een stoomwerktuig, dat dient voor het voortbewegen van een vaar- of voertuig, en stoomketels, welke behalve aan een stoomwerktuig, tevens stoom leveren voor andere doeleinden, moeten zodanig met voedingtoestellen zijn verbonden, dat, ook wanneer het stoomwerktuig buiten werking is, de stoomketel voldoende kan worden gevoed.
3. Is een ketel met een of meerdere voedingtoestellen verbonden, dan moeten deze toestellen, onverminderd het bepaalde in de tweede volzin, in staat zijn de ketel voldoende te voeden.
Moet een stoomketel met meerdere voedingtoestellen zijn verbonden, dan moeten deze een zodanig vermogen hebben, dat, indien welk van deze voedingtoestellen ook buiten werking is, de ketel voldoende kan worden gevoed.
Indien een stoomketel door middel van twee voedingleidingen met de voedingtoestellen moet zijn verbonden, moeten deze toestellen zodanig aan de voedingleidingen zijn aangesloten, dat, indien welke van deze leidingen ook wordt afgesloten, de stoomketel voldoende kan worden gevoed.
4. Aan het einde van elke voedingleiding moet een terugslagklep zijn geplaatst, welke van de ketel moet kunnen worden afgesloten.