BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 61
Stoombesluit
1. Ten behoeve van een keuring is de gebruiker verplicht zorg te dragen:
1e. dat het stoomtoestel of damptoestel op de aangegeven plaats en gedurende de daarvoor bepaalde dag toegankelijk en daartoe gereed is;
2e. dat het toestel op afdoende wijze is gezuiverd van gevaarlijke of schadelijke stoffen;
3e. dat een schoon en doelmatig ketelpak aanwezig is;
4e. dat de betrokken ambtenaar van de Dienst behoorlijk gelegenheid wordt verschaft tot verkleden en reinigen.
2. Ten behoeve van een inwendig onderzoek is de gebruiker bovendien verplicht zorg te dragen:
1e. dat vuurramen, roosters, vuurbruggen en andere onderdelen, die het onderzoek zouden kunnen belemmeren, alsmede obstakels nabij het stoomtoestel of damptoestel, zijn verwijderd;
2e. dat alle delen van het stoomtoestel of damptoestel en de bijbehorende vuurhaarden en rookkanalen goed zijn gereinigd en voldoende zijn afgekoeld;
3e. dat alle verbindingsleidingen met andere, in werking zijnde, stoomtoestellen en damptoestellen, op betrouwbare wijze zijn afgesloten;
4e. dat de veiligheidskleppen, voor zover niet is voorgeschreven, dat deze moeten zijn verzegeld, uit elkaar zijn genomen;
5e. dat smeltbare proppen uit hun vattingen zijn genomen.
3. Gelijke verplichtingen als die, bedoeld in het voorgaande lid onder 1e en 2e, rusten eveneens op de gebruiker ten behoeve van een beproeving en een uitwendig onderzoek.
1e. dat het stoomtoestel of damptoestel op de aangegeven plaats en gedurende de daarvoor bepaalde dag toegankelijk en daartoe gereed is;
2e. dat het toestel op afdoende wijze is gezuiverd van gevaarlijke of schadelijke stoffen;
3e. dat een schoon en doelmatig ketelpak aanwezig is;
4e. dat de betrokken ambtenaar van de Dienst behoorlijk gelegenheid wordt verschaft tot verkleden en reinigen.
2. Ten behoeve van een inwendig onderzoek is de gebruiker bovendien verplicht zorg te dragen:
1e. dat vuurramen, roosters, vuurbruggen en andere onderdelen, die het onderzoek zouden kunnen belemmeren, alsmede obstakels nabij het stoomtoestel of damptoestel, zijn verwijderd;
2e. dat alle delen van het stoomtoestel of damptoestel en de bijbehorende vuurhaarden en rookkanalen goed zijn gereinigd en voldoende zijn afgekoeld;
3e. dat alle verbindingsleidingen met andere, in werking zijnde, stoomtoestellen en damptoestellen, op betrouwbare wijze zijn afgesloten;
4e. dat de veiligheidskleppen, voor zover niet is voorgeschreven, dat deze moeten zijn verzegeld, uit elkaar zijn genomen;
5e. dat smeltbare proppen uit hun vattingen zijn genomen.
3. Gelijke verplichtingen als die, bedoeld in het voorgaande lid onder 1e en 2e, rusten eveneens op de gebruiker ten behoeve van een beproeving en een uitwendig onderzoek.