BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 1
Stoombesluit
1. Dit besluit verstaat onder:
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken;
de Dienst: de Dienst voor het Stoomwezen;
het Districtshoofd: het bevoegde Districtshoofd van de Dienst;
werkdruk: de hoogste absolute druk, welke in het hoogste punt van een stoomtoestel of damptoestel of in het hoogste punt van een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel, wanneer het in werking wordt gebracht, tegen de wand kan ontstaan, uitgedrukt in de eenheid bar, verminderd met één bar;
persdruk: de absolute druk, welke in een stoomtoestel of damptoestel of in een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel bij de beproeving tegen de wand heerst, uitgedrukt in bar, verminderd met één bar;
overdruk: het grootste verschil van de drukken, uitgedrukt in bar, die aan weerszijden van de wand van een stoomtoestel of damptoestel of van een gedeelte van een zodanig toestel kunnen ontstaan;
bedrijfstemperatuur: de hoogste temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius, welke in een stoomtoestel of damptoestel of in een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel, ten gevolge van de wijze, waarop het kan worden gebruikt, zal heersen;
verwarmd oppervlak: het wandoppervlak van een stoomtoestel of damptoestel, uitgedrukt in vierkante meters, waarmede de warmte afgevende stoffen in aanraking worden gebracht met het doel die warmte aan het toestel af te staan;
vaten: stoomtoestellen andere dan stoomketels en damptoestellen andere dan dampketels.
2. Waar in dit besluit sprake is van druk zonder nadere aanduiding, wordt bedoeld de absolute druk, uitgedrukt in bar, verminderd met één bar.
In een ruimte wordt geacht geen druk te kunnen ontstaan, wanneer deze ruimte in verbinding staat met de buitenlucht door openingen, waarvan de gezamenlijke doorlaat niet kleiner is dan de gezamenlijke doorlaat van de openingen van veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen, welke voor stoomtoestellen en damptoestellen krachtens dit besluit zijn vereist.
3. Stoomtoestellen en damptoestellen worden geacht te worden verhit, wanneer de bedrijfstemperatuur een waarde van 45 graden overschrijdt.
4. Bij stoomketels en dampketels, welke door middel van electrische stroom worden verhit, wordt geacht, dat het verwarmd oppervlak een uitgestrektheid heeft gelijk aan het twintigste gedeelte van het getal, aangevende het grootste aan de ketel toe te voeren vermogen, uitgedrukt in kilowatt.
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken;
de Dienst: de Dienst voor het Stoomwezen;
het Districtshoofd: het bevoegde Districtshoofd van de Dienst;
werkdruk: de hoogste absolute druk, welke in het hoogste punt van een stoomtoestel of damptoestel of in het hoogste punt van een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel, wanneer het in werking wordt gebracht, tegen de wand kan ontstaan, uitgedrukt in de eenheid bar, verminderd met één bar;
persdruk: de absolute druk, welke in een stoomtoestel of damptoestel of in een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel bij de beproeving tegen de wand heerst, uitgedrukt in bar, verminderd met één bar;
overdruk: het grootste verschil van de drukken, uitgedrukt in bar, die aan weerszijden van de wand van een stoomtoestel of damptoestel of van een gedeelte van een zodanig toestel kunnen ontstaan;
bedrijfstemperatuur: de hoogste temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius, welke in een stoomtoestel of damptoestel of in een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel, ten gevolge van de wijze, waarop het kan worden gebruikt, zal heersen;
verwarmd oppervlak: het wandoppervlak van een stoomtoestel of damptoestel, uitgedrukt in vierkante meters, waarmede de warmte afgevende stoffen in aanraking worden gebracht met het doel die warmte aan het toestel af te staan;
vaten: stoomtoestellen andere dan stoomketels en damptoestellen andere dan dampketels.
2. Waar in dit besluit sprake is van druk zonder nadere aanduiding, wordt bedoeld de absolute druk, uitgedrukt in bar, verminderd met één bar.
In een ruimte wordt geacht geen druk te kunnen ontstaan, wanneer deze ruimte in verbinding staat met de buitenlucht door openingen, waarvan de gezamenlijke doorlaat niet kleiner is dan de gezamenlijke doorlaat van de openingen van veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen, welke voor stoomtoestellen en damptoestellen krachtens dit besluit zijn vereist.
3. Stoomtoestellen en damptoestellen worden geacht te worden verhit, wanneer de bedrijfstemperatuur een waarde van 45 graden overschrijdt.
4. Bij stoomketels en dampketels, welke door middel van electrische stroom worden verhit, wordt geacht, dat het verwarmd oppervlak een uitgestrektheid heeft gelijk aan het twintigste gedeelte van het getal, aangevende het grootste aan de ketel toe te voeren vermogen, uitgedrukt in kilowatt.