BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 67
Stoombesluit
1. Gebruikers van stoomtoestellen, voor het in werking brengen waarvan vergunningen zijn verleend ingevolge een vroeger Koninklijk besluit en zij, die gebruikers van deze stoomtoestellen worden, zijn, zolang de stoomtoestellen aan een ononderbroken toezicht van Regeringswege onderworpen zijn gebleven, bevoegd om deze stoomtoestellen met het toebehoren, ingericht overeenkomstig de bepalingen van dat besluit, te blijven gebruiken.
2. Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit stoomtoestellen in gebruik hebben, voor het in werking brengen waarvan ingevolge een vroeger Koninklijk besluit geen vergunning was vereist, zijn bevoegd om deze stoomtoestellen met het toebehoren, ingericht overeenkomstig de bepalingen van dat vroegere besluit, te blijven gebruiken, indien zij van dit gebruik vóór 1 April 1954 aan het Districtshoofd schriftelijk kennis geven.
Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit damptoestellen in gebruik hebben, welke krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1, van de Stoomwetaan keuring door de Dienst moeten worden onderworpen, zijn bevoegd deze damptoestellen onder de bestaande omstandigheden uiterlijk tot 1 Juli 1954 te blijven gebruiken, mits zij van dit gebruik vóór 1 April 1954 aan het Districtshoofd schriftelijk kennis geven en deze van oordeel is dat het toestel geen gevaar oplevert.
3. Gebruikers van stoomtoestellen, voor het in werking brengen waarvan volgens de bepalingen van dit besluit geen vergunning is en volgens die van een vroeger Koninklijk besluit geen vergunning was vereist, en waarvan is aan te tonen, dat deze stoomtoestellen door hen in gebruik zijn genomen op het tijdstip, dat een vroeger besluit van kracht was, zijn bevoegd om deze stoomtoestellen met het toebehoren, ingericht overeenkomstig de bepalingen van dat besluit, te blijven gebruiken.
Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit damptoestellen in gebruik hebben, welke, op grond van het bepaalde in de artikelen 8en 10, niet aan keuring door de Dienst moeten worden onderworpen, zijn bevoegd deze damptoestellen onder de bestaande omstandigheden te blijven gebruiken, mits zij van dit gebruik vóór 1 April 1954 aan het Districtshoofd schriftelijk kennis geven en deze van oordeel is, dat het toestel geen gevaar oplevert.
4. De in dit artikel bedoelde bevoegdheden gelden niet ten aanzien van onderdelen van het stoomtoestel of damptoestel of van het toebehoren van een zodanig toestel, welke na het in werking treden van dit besluit worden aangebracht, al of niet ter vervanging van bestaande onderdelen.
2. Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit stoomtoestellen in gebruik hebben, voor het in werking brengen waarvan ingevolge een vroeger Koninklijk besluit geen vergunning was vereist, zijn bevoegd om deze stoomtoestellen met het toebehoren, ingericht overeenkomstig de bepalingen van dat vroegere besluit, te blijven gebruiken, indien zij van dit gebruik vóór 1 April 1954 aan het Districtshoofd schriftelijk kennis geven.
Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit damptoestellen in gebruik hebben, welke krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1, van de Stoomwetaan keuring door de Dienst moeten worden onderworpen, zijn bevoegd deze damptoestellen onder de bestaande omstandigheden uiterlijk tot 1 Juli 1954 te blijven gebruiken, mits zij van dit gebruik vóór 1 April 1954 aan het Districtshoofd schriftelijk kennis geven en deze van oordeel is dat het toestel geen gevaar oplevert.
3. Gebruikers van stoomtoestellen, voor het in werking brengen waarvan volgens de bepalingen van dit besluit geen vergunning is en volgens die van een vroeger Koninklijk besluit geen vergunning was vereist, en waarvan is aan te tonen, dat deze stoomtoestellen door hen in gebruik zijn genomen op het tijdstip, dat een vroeger besluit van kracht was, zijn bevoegd om deze stoomtoestellen met het toebehoren, ingericht overeenkomstig de bepalingen van dat besluit, te blijven gebruiken.
Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit damptoestellen in gebruik hebben, welke, op grond van het bepaalde in de artikelen 8en 10, niet aan keuring door de Dienst moeten worden onderworpen, zijn bevoegd deze damptoestellen onder de bestaande omstandigheden te blijven gebruiken, mits zij van dit gebruik vóór 1 April 1954 aan het Districtshoofd schriftelijk kennis geven en deze van oordeel is, dat het toestel geen gevaar oplevert.
4. De in dit artikel bedoelde bevoegdheden gelden niet ten aanzien van onderdelen van het stoomtoestel of damptoestel of van het toebehoren van een zodanig toestel, welke na het in werking treden van dit besluit worden aangebracht, al of niet ter vervanging van bestaande onderdelen.