BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 31
Stoombesluit
1. Veiligheidskleppen, welke zodanig zijn geplaatst, dat zij voor hem, die het stoomtoestel of damptoestel bedient, niet gemakkelijk zijn te bereiken, moeten, behalve in het geval bedoeld in het vierde lid, zijn voorzien van een inrichting, welke het hem mogelijk maakt van een gemakkelijk bereikbare plaats af de kleppen te lichten.
2. Hooglichtende veiligheidskleppen moeten zijn voorzien van een doelmatige afvoerpijp, welke in de buitenlucht uitmondt.
3. Veiligheidskleppen, in verbinding met ruimten van stoomtoestellen of damptoestellen, waarin zich uitsluitend vloeistof bevindt, moeten zodanig zijn ingericht, dat bij het openen van de klep de vloeistof niet vrij in de ruimte, waarin het toestel staat opgesteld, kan worden uitgedreven.
4. Veiligheidskleppen, in verbinding met ruimten van stoomtoestellen of damptoestellen, waarin zich stoffen bevinden die gevaarlijk of schadelijk voor de omgeving zijn, moeten zodanig zijn ingericht en van een zodanige afvoerpijp zijn voorzien, dat de bij het openen van de klep ontwijkende stoffen op veilige wijze worden afgevoerd.
5. Het is verboden gebruik te maken van onderdelen van veiligheidskleppen welke niet door de betrokken ambtenaar van de Dienst of, indien artikel 8atoepassing heeft gevonden, door een instantie als in dat artikel bedoeld, zijn onderzocht en goedgekeurd.
2. Hooglichtende veiligheidskleppen moeten zijn voorzien van een doelmatige afvoerpijp, welke in de buitenlucht uitmondt.
3. Veiligheidskleppen, in verbinding met ruimten van stoomtoestellen of damptoestellen, waarin zich uitsluitend vloeistof bevindt, moeten zodanig zijn ingericht, dat bij het openen van de klep de vloeistof niet vrij in de ruimte, waarin het toestel staat opgesteld, kan worden uitgedreven.
4. Veiligheidskleppen, in verbinding met ruimten van stoomtoestellen of damptoestellen, waarin zich stoffen bevinden die gevaarlijk of schadelijk voor de omgeving zijn, moeten zodanig zijn ingericht en van een zodanige afvoerpijp zijn voorzien, dat de bij het openen van de klep ontwijkende stoffen op veilige wijze worden afgevoerd.
5. Het is verboden gebruik te maken van onderdelen van veiligheidskleppen welke niet door de betrokken ambtenaar van de Dienst of, indien artikel 8atoepassing heeft gevonden, door een instantie als in dat artikel bedoeld, zijn onderzocht en goedgekeurd.