BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 8
Stoombesluit
1. Voor zover stoomtoestellen en damptoestellen niet bij of krachtens artikel 21 van de Stoomwetzijn uitgezonderd, zijn alle stoomtoestellen en damptoestellen aan keuring door de Dienst, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze Wet, onderworpen, met uitzondering van:
a. vaten, welke delen van krachtwerktuigen zijn;
b. stoomtoestellen en damptoestellen ten aanzien waarvan één van de grenzen, genoemd in artikel 10, lid 1, niet is overschreden, en ten aanzien waarvan tevens wordt voldaan aan de voorschriften bij of krachtens de Stoomwet gesteld.
2. Indien een stoomtoestel of damptoestel bestaat uit afzonderlijke gedeelten, als bedoeld in artikel 11, geldt het bepaalde onder bin het voorgaande lid alleen dan, wanneer ten aanzien van elk afzonderlijk gedeelte één van de grenzen, genoemd in artikel 10, lid 1, niet is overschreden.
3. Als stoomtoestellen en damptoestellen, bedoeld in artikel 21, onder c, van de Stoomwet, worden aangewezen:
a. stoomtoestellen en damptoestellen aan boord van schepen waarop de Schepenwet van toepassing is;
b. stoomtoestellen en damptoestellen die uitsluitend tot huishoudelijk gebruik dienen en waarvan hetzij de werkdruk niet meer bedraagt dan 0,5 bar, hetzij het produkt van de getallen, aangevende de inhoud in liters en de werkdruk, niet groter is dan 200;
c. stoomtoestellen en damptoestellen waarop het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.
a. vaten, welke delen van krachtwerktuigen zijn;
b. stoomtoestellen en damptoestellen ten aanzien waarvan één van de grenzen, genoemd in artikel 10, lid 1, niet is overschreden, en ten aanzien waarvan tevens wordt voldaan aan de voorschriften bij of krachtens de Stoomwet gesteld.
2. Indien een stoomtoestel of damptoestel bestaat uit afzonderlijke gedeelten, als bedoeld in artikel 11, geldt het bepaalde onder bin het voorgaande lid alleen dan, wanneer ten aanzien van elk afzonderlijk gedeelte één van de grenzen, genoemd in artikel 10, lid 1, niet is overschreden.
3. Als stoomtoestellen en damptoestellen, bedoeld in artikel 21, onder c, van de Stoomwet, worden aangewezen:
a. stoomtoestellen en damptoestellen aan boord van schepen waarop de Schepenwet van toepassing is;
b. stoomtoestellen en damptoestellen die uitsluitend tot huishoudelijk gebruik dienen en waarvan hetzij de werkdruk niet meer bedraagt dan 0,5 bar, hetzij het produkt van de getallen, aangevende de inhoud in liters en de werkdruk, niet groter is dan 200;
c. stoomtoestellen en damptoestellen waarop het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.