BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 40
Stoombesluit
1. Een ketel met een verwarmd oppervlak van ten hoogste 1 m² moet zijn voorzien van een veiligheidsklep; andere ketels moeten zijn voorzien van tenminste twee veiligheidskleppen.
Ketels, waarvan het verwarmd oppervlak meer bedraagt dan 1 m² doch ten hoogste 10 m², welke worden verhit door middel van electrische stroom, dan wel met behulp van een gas- of oliebrander, kunnen in de plaats van een van deze veiligheidskleppen zijn voorzien van een toestel, hetwelk vóór overschrijding van de toegestane werkdruk bewerkt, dat de ketel niet verder kan worden verhit.
2. De klepopening van de veiligheidsklep van een ketel met een verwarmd oppervlak van ten hoogste 0,2 m² moet een middellijn hebben van tenminste 10 mm.
3. Bij stoomketels, welke met de hand worden gestookt en waarvan de vuurhaard onder natuurlijke trek staat, wordt geacht, dat de klepopening van de veiligheidskleppen voldoende is, wanneer het getal, aangevende de middellijn van deze opening in millimeters, een waarde heeft, welke niet kleiner is dan die van de vorm:
, indien
geen grotere waarde heeft dan 4;
, indien
een grotere waarde heeft dan 4.
In deze vormen is:
F het verwarmd oppervlak van de stoomketel;
p1 de toegestane werkdruk van de stoomketel.
4. Een van de veiligheidskleppen, aangebracht op een stoomketel, welke stoom levert aan een stoomwerktuig dat dient voor het voortbewegen van een zeewaardig vissersvaartuig, moet een klepopening hebben met een middellijn van tenminste 50 mm en zodanig zijn ingericht, dat door verzegeling waarborg wordt verkregen, dat de belasting van de klep niet wordt gewijzigd. Het verzegelen geschiedt door de betrokken ambtenaar van de Dienst.
Ketels, waarvan het verwarmd oppervlak meer bedraagt dan 1 m² doch ten hoogste 10 m², welke worden verhit door middel van electrische stroom, dan wel met behulp van een gas- of oliebrander, kunnen in de plaats van een van deze veiligheidskleppen zijn voorzien van een toestel, hetwelk vóór overschrijding van de toegestane werkdruk bewerkt, dat de ketel niet verder kan worden verhit.
2. De klepopening van de veiligheidsklep van een ketel met een verwarmd oppervlak van ten hoogste 0,2 m² moet een middellijn hebben van tenminste 10 mm.
3. Bij stoomketels, welke met de hand worden gestookt en waarvan de vuurhaard onder natuurlijke trek staat, wordt geacht, dat de klepopening van de veiligheidskleppen voldoende is, wanneer het getal, aangevende de middellijn van deze opening in millimeters, een waarde heeft, welke niet kleiner is dan die van de vorm:
, indien
geen grotere waarde heeft dan 4;
, indien
een grotere waarde heeft dan 4.
In deze vormen is:
F het verwarmd oppervlak van de stoomketel;
p1 de toegestane werkdruk van de stoomketel.
4. Een van de veiligheidskleppen, aangebracht op een stoomketel, welke stoom levert aan een stoomwerktuig dat dient voor het voortbewegen van een zeewaardig vissersvaartuig, moet een klepopening hebben met een middellijn van tenminste 50 mm en zodanig zijn ingericht, dat door verzegeling waarborg wordt verkregen, dat de belasting van de klep niet wordt gewijzigd. Het verzegelen geschiedt door de betrokken ambtenaar van de Dienst.