BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 66
Stoombesluit
1. Een vergunning kan worden ingetrokken, indien is gebleken:
a. dat de gebruiker een voorgeschreven herstelling niet doet plaats vinden;
b. dat de gebruiker nalatig is om te voldoen aan de voorschriften, bij of krachtens de Stoomwet gesteld;
c. dat het stoomtoestel of damptoestel buiten dienst is gesteld;
d. dat het stoomtoestel of damptoestel op zodanige wijze wordt gebruikt, dat voor het in werking brengen daarvan geen vergunning meer is vereist;
e. dat het stoomtoestel of damptoestel uit het Rijk is weggevoerd en hier te lande kennelijk niet meer in werking zal worden gebracht;
f. dat het stoomtoestel of damptoestel meer dan drie jaar onafgebroken buiten het Rijk is geweest.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is de houder van het vergunningsbewijs verplicht, dit ter beschikking van het Districtshoofd te stellen.
a. dat de gebruiker een voorgeschreven herstelling niet doet plaats vinden;
b. dat de gebruiker nalatig is om te voldoen aan de voorschriften, bij of krachtens de Stoomwet gesteld;
c. dat het stoomtoestel of damptoestel buiten dienst is gesteld;
d. dat het stoomtoestel of damptoestel op zodanige wijze wordt gebruikt, dat voor het in werking brengen daarvan geen vergunning meer is vereist;
e. dat het stoomtoestel of damptoestel uit het Rijk is weggevoerd en hier te lande kennelijk niet meer in werking zal worden gebracht;
f. dat het stoomtoestel of damptoestel meer dan drie jaar onafgebroken buiten het Rijk is geweest.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is de houder van het vergunningsbewijs verplicht, dit ter beschikking van het Districtshoofd te stellen.