BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 10
Stoombesluit
1. De in artikel 8, lid 1 en 2, bedoelde grenzen zijn:
a. ten aanzien van de werkdruk van stoomtoestellen of damptoestellen of van de afzonderlijke gedeelten van zodanige toestellen: 0,5 bar voor stoomketels, alsmede voor vloeistofruimten van vaten, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof een hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar; 1 bar voor dampruimten van vaten, alsmede voor vloeistofruimten van vaten, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof geen hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar;
b. ten aanzien van de inhoud van stoomketels en dampketels: 0,5 liter;
c. ten aanzien van het product van de getallen, aangevende de inhoud van stoomtoestellen of damptoestellen of van een afzonderlijk gedeelte van zodanige toestellen, uitgedrukt in liters, en de werkdruk: 200 voor stoomketels, waarvan de werkdruk niet hoger is dan 3 bar; 100 voor dampketels, waarvan de werkdruk niet hoger is dan 3 bar; 600 voor vloeistofruimten van vaten, andere dan pijpleidingen, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof een hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar; 1000 voor dampruimten van vaten, andere dan pijpleidingen, alsmede voor vloeistofruimten van vaten, andere dan pijpleidingen, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof geen hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar;
d. ten aanzien van de inwendige middellijn van pijpen: 65 mm voor pijpen, welke aan beide einden of in zichzelf zijn gesloten, gedeeltelijk met water zijn gevuld en worden verhit; 145 mm voor pijpleidingen, waarvan de bedrijfstemperatuur hoger is dan 400°C, met dien verstande, dat, indien de grenswaarde, bepaald op overeenkomstige wijze als in dit lid voor pijpleidingen met een bedrijfstemperatuur niet hoger dan 400°C voorgeschreven, geringer is dan 145 mm, deze geringere waarde in de plaats treedt van de hier gestelde grens van 145 mm; (10 000 bar.mm) : (p + 10) bar voor pijpleidingen voor damp, indien de bedrijfstemperatuur niet hoger is dan 400°C; (10 000 bar.mm) : (p + 30) bar voor pijpleidingen voor vloeistoffen, indien de bedrijfstemperatuur niet hoger is dan 400°C. In deze vormen stelt p het getal voor, dat gelijk is aan de waarde van de werkdruk.
2. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid wordt geacht, dat de werkdruk van stoomtoestellen of damptoestellen of van afzonderlijke gedeelten van zodanige toestellen gelijk is aan de druk, welke overeenkomt met de belasting van de veiligheidskleppen of met de hoogte van de veiligheidsbuizen.
3. Bij het berekenen van de op veiligheidskleppen aan te brengen belasting wordt aangenomen, dat de werkdruk tegen de klep een druk uitoefent op een oppervlak, begrensd door een cirkel, waarvan de middellijn 2 mm groter is dan die van de klepopening. De hoogte van veiligheidsbuizen is het verschil in hoogte van de bovenste en onderste opening van de buis, waarin de vloeistof opstijgt onder invloed van de druk in het toestel, waarop de buis is aangesloten.
4. Zijn ketels niet voorzien van een veiligheidsklep of van een veiligheidsbuis, dan wordt de werkdruk geacht een zodanige waarde te bereiken, dat de met de werkdruk verband houdende grenzen worden overschreden.
Zijn vaten op een ruimte, waarin gas, damp of vloeistof door leidingen wordt aangevoerd, niet voorzien van een veiligheidsklep, dan wordt de werkdruk van die ruimte geacht gelijk te zijn aan de hoogste van de drukken, waaronder het gas, de damp of de vloeistof in die leidingen binnenstroomt.
5. Indien in een afzonderlijk gedeelte van een stoomtoestel of damptoestel uitsluitend vloeistof voorkomt, wordt - voor de toepassing van het bepaalde in artikel 8en in het eerste lid van dit artikel - de werkdruk van die ruimte geacht gelijk te zijn aan de druk van de verzadigde damp van die vloeistof bij de bedrijfstemperatuur.
6. Indien een stoomtoestel of damptoestel, dat wordt verhit en is voorzien van het toebehoren als in dit besluit bepaald, tevens is voorzien van een betrouwbare inrichting, welke vóór overschrijding van een bepaalde temperatuur verdere verhitting verhindert, wordt - voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde lid - geacht, dat de bedrijfstemperatuur gelijk is aan die temperatuur.
a. ten aanzien van de werkdruk van stoomtoestellen of damptoestellen of van de afzonderlijke gedeelten van zodanige toestellen: 0,5 bar voor stoomketels, alsmede voor vloeistofruimten van vaten, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof een hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar; 1 bar voor dampruimten van vaten, alsmede voor vloeistofruimten van vaten, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof geen hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar;
b. ten aanzien van de inhoud van stoomketels en dampketels: 0,5 liter;
c. ten aanzien van het product van de getallen, aangevende de inhoud van stoomtoestellen of damptoestellen of van een afzonderlijk gedeelte van zodanige toestellen, uitgedrukt in liters, en de werkdruk: 200 voor stoomketels, waarvan de werkdruk niet hoger is dan 3 bar; 100 voor dampketels, waarvan de werkdruk niet hoger is dan 3 bar; 600 voor vloeistofruimten van vaten, andere dan pijpleidingen, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof een hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar; 1000 voor dampruimten van vaten, andere dan pijpleidingen, alsmede voor vloeistofruimten van vaten, andere dan pijpleidingen, voor zover de zich in die ruimten bevindende vloeistof geen hogere temperatuur heeft dan zijn kookpunt bij een absolute druk van 1 bar;
d. ten aanzien van de inwendige middellijn van pijpen: 65 mm voor pijpen, welke aan beide einden of in zichzelf zijn gesloten, gedeeltelijk met water zijn gevuld en worden verhit; 145 mm voor pijpleidingen, waarvan de bedrijfstemperatuur hoger is dan 400°C, met dien verstande, dat, indien de grenswaarde, bepaald op overeenkomstige wijze als in dit lid voor pijpleidingen met een bedrijfstemperatuur niet hoger dan 400°C voorgeschreven, geringer is dan 145 mm, deze geringere waarde in de plaats treedt van de hier gestelde grens van 145 mm; (10 000 bar.mm) : (p + 10) bar voor pijpleidingen voor damp, indien de bedrijfstemperatuur niet hoger is dan 400°C; (10 000 bar.mm) : (p + 30) bar voor pijpleidingen voor vloeistoffen, indien de bedrijfstemperatuur niet hoger is dan 400°C. In deze vormen stelt p het getal voor, dat gelijk is aan de waarde van de werkdruk.
2. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid wordt geacht, dat de werkdruk van stoomtoestellen of damptoestellen of van afzonderlijke gedeelten van zodanige toestellen gelijk is aan de druk, welke overeenkomt met de belasting van de veiligheidskleppen of met de hoogte van de veiligheidsbuizen.
3. Bij het berekenen van de op veiligheidskleppen aan te brengen belasting wordt aangenomen, dat de werkdruk tegen de klep een druk uitoefent op een oppervlak, begrensd door een cirkel, waarvan de middellijn 2 mm groter is dan die van de klepopening. De hoogte van veiligheidsbuizen is het verschil in hoogte van de bovenste en onderste opening van de buis, waarin de vloeistof opstijgt onder invloed van de druk in het toestel, waarop de buis is aangesloten.
4. Zijn ketels niet voorzien van een veiligheidsklep of van een veiligheidsbuis, dan wordt de werkdruk geacht een zodanige waarde te bereiken, dat de met de werkdruk verband houdende grenzen worden overschreden.
Zijn vaten op een ruimte, waarin gas, damp of vloeistof door leidingen wordt aangevoerd, niet voorzien van een veiligheidsklep, dan wordt de werkdruk van die ruimte geacht gelijk te zijn aan de hoogste van de drukken, waaronder het gas, de damp of de vloeistof in die leidingen binnenstroomt.
5. Indien in een afzonderlijk gedeelte van een stoomtoestel of damptoestel uitsluitend vloeistof voorkomt, wordt - voor de toepassing van het bepaalde in artikel 8en in het eerste lid van dit artikel - de werkdruk van die ruimte geacht gelijk te zijn aan de druk van de verzadigde damp van die vloeistof bij de bedrijfstemperatuur.
6. Indien een stoomtoestel of damptoestel, dat wordt verhit en is voorzien van het toebehoren als in dit besluit bepaald, tevens is voorzien van een betrouwbare inrichting, welke vóór overschrijding van een bepaalde temperatuur verdere verhitting verhindert, wordt - voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde lid - geacht, dat de bedrijfstemperatuur gelijk is aan die temperatuur.