BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 58
Stoombesluit
1. De gebruiker van een stoomtoestel of damptoestel is verplicht zorg te dragen:
1e. dat het toestel en het toebehoren daarvan in behoorlijke staat van onderhoud verkeren en voldoende worden gereinigd;
2e. dat manometers, thermometers en peiltoestellen voldoende zijn verlicht;
3e. dat onderdelen van het toebehoren, welke tijdens de werking van het toestel onbruikbaar kunnen worden en verwisselbaar zijn, in voldoende mate ter beschikking zijn van hem, die het toestel bedient;
4e. dat het vergunningbewijs tot het in werking brengen van het toestel in goede staat wordt gehouden en steeds bij het toestel aan de betrokken ambtenaar van de Dienst kan worden overgelegd.
2. De gebruiker van het stoomtoestel of damptoestel en hij, die het bedient, zijn verplicht zorg te dragen:
1e. dat veiligheidskleppen en andere bewegende onderdelen van het toebehoren gemakkelijk gangbaar blijven en de veiligheidskleppen niet zwaarder worden belast dan overeenkomt met de toegestane werkdruk;
2e. dat het bepaalde in artikel 38, lid 3, wordt nageleefd, de verzegeling, bedoeld in artikel 40, lid 4, niet wordt beschadigd of verbroken, het toestel, bedoeld in artikel 43, lid 1, niet wordt belet te werken en een van de veiligheidsplaatjes, als bedoeld in artikel 54, in open verbinding met het toestel blijft;
3e. dat het toestel, na buiten gebruik te zijn geweest, niet in werking wordt gebracht dan nadat is gebleken, dat flensverbindingen, pakkingbussen en deksels doelmatig zijn verpakt.
De gebruiker, die het stoomtoestel of damptoestel niet bedient, wordt geacht aan deze verplichtingen te hebben voldaan, wanneer hij aantoont, dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn getroffen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden, om de naleving te verzekeren van hetgeen in dit lid is bepaald.
3. Hij, die het stoomtoestel of damptoestel bedient, is verplicht zorg te dragen:
1e. dat hij zich vergewist van bij inwendige reiniging of tijdens het gebruik van het toestel redelijkerwijze waar te nemen gebreken of sporen van lekkage en van zijn bevindingen kennis geeft aan de gebruiker;
2e. dat tijdens het gebruik van een ketel het vloeistofpeil in de ketel niet beneden het toegestane laagste vloeistofpeil daalt.
1e. dat het toestel en het toebehoren daarvan in behoorlijke staat van onderhoud verkeren en voldoende worden gereinigd;
2e. dat manometers, thermometers en peiltoestellen voldoende zijn verlicht;
3e. dat onderdelen van het toebehoren, welke tijdens de werking van het toestel onbruikbaar kunnen worden en verwisselbaar zijn, in voldoende mate ter beschikking zijn van hem, die het toestel bedient;
4e. dat het vergunningbewijs tot het in werking brengen van het toestel in goede staat wordt gehouden en steeds bij het toestel aan de betrokken ambtenaar van de Dienst kan worden overgelegd.
2. De gebruiker van het stoomtoestel of damptoestel en hij, die het bedient, zijn verplicht zorg te dragen:
1e. dat veiligheidskleppen en andere bewegende onderdelen van het toebehoren gemakkelijk gangbaar blijven en de veiligheidskleppen niet zwaarder worden belast dan overeenkomt met de toegestane werkdruk;
2e. dat het bepaalde in artikel 38, lid 3, wordt nageleefd, de verzegeling, bedoeld in artikel 40, lid 4, niet wordt beschadigd of verbroken, het toestel, bedoeld in artikel 43, lid 1, niet wordt belet te werken en een van de veiligheidsplaatjes, als bedoeld in artikel 54, in open verbinding met het toestel blijft;
3e. dat het toestel, na buiten gebruik te zijn geweest, niet in werking wordt gebracht dan nadat is gebleken, dat flensverbindingen, pakkingbussen en deksels doelmatig zijn verpakt.
De gebruiker, die het stoomtoestel of damptoestel niet bedient, wordt geacht aan deze verplichtingen te hebben voldaan, wanneer hij aantoont, dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn getroffen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden, om de naleving te verzekeren van hetgeen in dit lid is bepaald.
3. Hij, die het stoomtoestel of damptoestel bedient, is verplicht zorg te dragen:
1e. dat hij zich vergewist van bij inwendige reiniging of tijdens het gebruik van het toestel redelijkerwijze waar te nemen gebreken of sporen van lekkage en van zijn bevindingen kennis geeft aan de gebruiker;
2e. dat tijdens het gebruik van een ketel het vloeistofpeil in de ketel niet beneden het toegestane laagste vloeistofpeil daalt.