BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 51
Stoombesluit
1. Een vat, moet op de ruimte waarin door verhitting damp kan worden voortgebracht, zijn voorzien van:
1e. tenminste één veiligheidsklep;
2e. een manometer;
3e. een thermometer, indien het Districtshoofd dit nodig oordeelt.
Wordt de ontwikkelde damp buiten het vat gevoerd, dan moet het vat op de verdampingsruimte van tenminste twee veiligheidskleppen zijn voorzien.
Indien het Hoofd van de Dienst daartoe termen aanwezig acht, kan het vat in de plaats van een van deze veiligheidskleppen zijn voorzien van een toestel, hetwelk vóór overschrijding van de toegestane werkdruk verdere dampontwikkeling verhindert.
2. Het bepaalde in het voorgaande lid is niet van toepassing, wanneer de dampdruk bij de bedrijfstemperatuur van het vat niet hoger is dan de toegestane werkdruk van de verdampingsruimte.
3. De klepopening van veiligheidskleppen in verbinding staande met ruimten van vaten, welke door stoom worden verhit en waarin stoom wordt voortgebracht die buiten deze ruimten wordt gevoerd, wordt voldoende geacht, wanneer het getal, aangevende de middellijn van die opening in millimeters, een waarde heeft, welke niet kleiner is dan die van de vorm:
, indien
geen grotere waarde heeft dan 10;
, indien
een grotere waarde heeft dan 10.
In deze vormen is:
F het verwarmd oppervlak van het vat;
p2 de druk van de voor de verhitting dienende stoom;
p3 de toegestane werkdruk van de verdampingsruimte van het vat.
1e. tenminste één veiligheidsklep;
2e. een manometer;
3e. een thermometer, indien het Districtshoofd dit nodig oordeelt.
Wordt de ontwikkelde damp buiten het vat gevoerd, dan moet het vat op de verdampingsruimte van tenminste twee veiligheidskleppen zijn voorzien.
Indien het Hoofd van de Dienst daartoe termen aanwezig acht, kan het vat in de plaats van een van deze veiligheidskleppen zijn voorzien van een toestel, hetwelk vóór overschrijding van de toegestane werkdruk verdere dampontwikkeling verhindert.
2. Het bepaalde in het voorgaande lid is niet van toepassing, wanneer de dampdruk bij de bedrijfstemperatuur van het vat niet hoger is dan de toegestane werkdruk van de verdampingsruimte.
3. De klepopening van veiligheidskleppen in verbinding staande met ruimten van vaten, welke door stoom worden verhit en waarin stoom wordt voortgebracht die buiten deze ruimten wordt gevoerd, wordt voldoende geacht, wanneer het getal, aangevende de middellijn van die opening in millimeters, een waarde heeft, welke niet kleiner is dan die van de vorm:
, indien
geen grotere waarde heeft dan 10;
, indien
een grotere waarde heeft dan 10.
In deze vormen is:
F het verwarmd oppervlak van het vat;
p2 de druk van de voor de verhitting dienende stoom;
p3 de toegestane werkdruk van de verdampingsruimte van het vat.