1. De bedragen, genoemd in de artikelen 2.1.1, eerste lid, en 2.4.1, eerste lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september 2018 vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
2. De bedragen, genoemd in de artikelen 2.1.6, eerste lid, en 2.2.6, eerste en tweede lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex voor de maand september 2018.
3. Indien provinciale staten toepassing hebben gegeven aan
artikel 9, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2van dit besluit, blijft dat artikel in de desbetreffende provincie van toepassing.
4.
Artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2van dit besluit, blijft van toepassing op de commissaris van de Koning die voor die datum is benoemd.
5. De bedragen, genoemd in de artikelen 3.1.1, eerste lid, en 3.4.1, eerste lid, worden per 1 januari 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september 2018 vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
6. De bedragen, genoemd in de artikelen 3.1.6, derde lid, en 3.2.6, eerste en tweede lid, worden per 1 januari 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex voor de maand september 2018.
7. Indien de gemeenteraad toepassing heeft gegeven aan
artikel 10, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, blijft dat artikel in de desbetreffende gemeente van toepassing.
8.
Artikel 14a van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, blijft van toepassing ten aanzien van de burgemeester aan wie voor die datum een toelage is toegekend als bedoeld in dat artikel 14a.
9.
Artikel 14b van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, blijft van toepassing ten aanzien van de burgemeester aan wie voor die datum een aanvulling is toegekend als bedoeld in dat artikel 14b.
10. Ten aanzien van de burgemeester die in verband met een herindelingsregeling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene regels herindelingmet ingang van 1 januari 2019 is ontslagen en vervolgens wordt benoemd in een andere gemeente, blijft
artikel 14a van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, van toepassing in plaats van artikel 3.2.5van dit besluit.
11. Ten aanzien van de burgemeester die voor 1 januari 2019 eervol is ontslagen of niet is herbenoemd en ten aanzien van de burgemeester die in verband met een herindelingsregeling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene regels herindelingmet ingang van 1 januari 2019 eervol is ontslagen, blijft
artikel 16, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, van toepassing.
12. Zolang een burgemeester niet is ontslagen of herbenoemd, blijven in plaats van artikel 3.3.2voor hem
artikel 30, tweede en vierde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels van toepassing, indien hem in 2018 een tegemoetkoming of een vergoeding op grond van dat artikel is verleend.
13.
Artikel 31, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, blijft van toepassing op de burgemeester die voor die datum is benoemd.
14. Zolang een wethouder niet is afgetreden of herbenoemd, blijven in plaats van artikel 3.3.2voor hem
artikel 27a, tweede en vierde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels van toepassing, indien hem in 2018 een tegemoetkoming of een vergoeding op grond van dat artikel is verleend.
15. Zolang een raads- of commissielid niet is afgetreden of herbenoemd, blijven in plaats van artikel 3.3.2voor hem
artikel 7a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3van dit besluit, en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels van toepassing, indien hem in 2018 een tegemoetkoming of een vergoeding op grond van dat artikel is verleend.
16. De bedragen, genoemd in de artikelen 4.1.1, eerste lid, en 4.4.1, eerste lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september 2018 vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
17. Ten aanzien van de leden van gedeputeerde staten die op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2in functie waren, blijven de regels die zijn gesteld bij of krachtens het
Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals die op die dag luidden, van toepassing tot het tijdstip waarop deze leden op grond van
artikel 41, eerste lid, van de Provinciewetaftreden.
18. Ten aanzien van de leden van het dagelijks bestuur van de waterschappen die op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 4in functie waren, blijven de regels die zijn gesteld bij of krachtens
hoofdstuk 3 van het Waterschapsbesluit, zoals die op die dag luidden, van toepassing tot het tijdstip waarop deze leden op grond van
artikel 41, vierde lid, van de Waterschapswetaftreden.
19. De bedragen, genoemd in de artikelen 4.1.6, eerste lid, en 4.2.6, eerste en tweede lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex voor de maand september 2018.