BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 2.1.12
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Een statenlid dat op grond van artikel 75, eerste lid, van de Provinciewetmeer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap van provinciale staten waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toeslag van 8% op zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, alsmede een toeslag van 8% op de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, eerste lid.
2. Indien een statenlid op grond van artikel 75, tweede lid, van de Provinciewetgedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast:
a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van de provincie aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid, vermeerderd met een vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 2.2.1, vierde, vijfde, onderscheidenlijk zesde lid;
b. ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, een ambtstoelage en een vergoeding voor overige ambtskosten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, en
c. zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 2.2.9, tweede lid, en de artikelen 2.2.10 en 2.2.12 van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een statenlid op grond van artikel 75, tweede lid, van de Provinciewetgedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast:
a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van de provincie aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid, vermeerderd met een vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 2.2.1, vierde, vijfde, onderscheidenlijk zesde lid;
b. ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, een ambtstoelage en een vergoeding voor overige ambtskosten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, en
c. zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 2.2.9, tweede lid, en de artikelen 2.2.10 en 2.2.12 van overeenkomstige toepassing.