BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 4.2.1
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op verzoek van het algemeen bestuur, gedeputeerde staten gehoord, een deeltijdfactor voor de voorzitter vaststellen.
2. De bezoldiging van de voorzitter bedraagt € 12.021,01 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor.
3. De bezoldiging van het lid van het dagelijks bestuur bedraagt, met inachtneming van artikel 4.5, € 9.841,08 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor.
4. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen, genoemd in het tweede en derde lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
5. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
6. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
7. Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het vierde lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur een uitkering op dezelfde voet.
8. Wanneer de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de bezoldiging voor die maand genoten naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand.
2. De bezoldiging van de voorzitter bedraagt € 12.021,01 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor.
3. De bezoldiging van het lid van het dagelijks bestuur bedraagt, met inachtneming van artikel 4.5, € 9.841,08 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor.
4. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen, genoemd in het tweede en derde lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
5. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
6. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
7. Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het vierde lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur een uitkering op dezelfde voet.
8. Wanneer de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de bezoldiging voor die maand genoten naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand.