BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 3.2.7
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Indien de burgemeester of de wethouder bij zijn benoeming zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de gemeente, heeft hij ten laste van de gemeente eenmalig aanspraak op een vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing in verband met zijn benoeming naar de gemeente.
2. Voor de duur dat de burgemeester of een wethouder met toepassing van artikel 71, tweede of derde lid, onderscheidenlijk 36a, tweede lid, van de Gemeentewetzijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de gemeente, heeft hij ten laste van de gemeente aanspraak op:
a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en
b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
3. Indien de burgemeesters of de wethouder in verband met zijn benoeming is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten, alsmede een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
4. De burgemeester heeft binnen uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming bij vertrek uit de gemeente of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning ten laste van de gemeente eenmalig aanspraak op vergoeding van verhuiskosten voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding.
5. Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van de gemeente aan de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder vergoed.
6. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
2. Voor de duur dat de burgemeester of een wethouder met toepassing van artikel 71, tweede of derde lid, onderscheidenlijk 36a, tweede lid, van de Gemeentewetzijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de gemeente, heeft hij ten laste van de gemeente aanspraak op:
a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en
b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
3. Indien de burgemeesters of de wethouder in verband met zijn benoeming is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten, alsmede een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
4. De burgemeester heeft binnen uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming bij vertrek uit de gemeente of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning ten laste van de gemeente eenmalig aanspraak op vergoeding van verhuiskosten voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding.
5. Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van de gemeente aan de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder vergoed.
6. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.