BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 3.2.19
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. De burgemeester wordt op zijn verzoek ontslagen of na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd. Het ontslag wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
2. Aan de burgemeester wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, eervol ontslag verleend.
3. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de burgemeester ontslag worden verleend op grond van:
a. ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken;
c. opheffing van de gemeente;
d. een aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet;
e. andere gronden.
4. Een ontslag als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, en
b. herstel niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a bedoelde termijn van zes maanden te verwachten is.
5. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen en, indien de burgemeester dit wenst, een door de burgemeester aangewezen geneeskundige. De burgemeester is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid. Indien de burgemeester geen medewerking verleent, is de in het vierde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing.
6. Het ontslag op grond van het derde lid, onder a, b en c, wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het derde lid, onder d en e, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
2. Aan de burgemeester wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, eervol ontslag verleend.
3. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de burgemeester ontslag worden verleend op grond van:
a. ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken;
c. opheffing van de gemeente;
d. een aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet;
e. andere gronden.
4. Een ontslag als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, en
b. herstel niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a bedoelde termijn van zes maanden te verwachten is.
5. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen en, indien de burgemeester dit wenst, een door de burgemeester aangewezen geneeskundige. De burgemeester is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid. Indien de burgemeester geen medewerking verleent, is de in het vierde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing.
6. Het ontslag op grond van het derde lid, onder a, b en c, wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het derde lid, onder d en e, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.