BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 4.2.3
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als voorzitter of lid van het dagelijks bestuur genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede of derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 4.2.1, vijfde lid, en aangevuld op grond van artikel 4.2.2;
b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 48, zesde lid, of artikel 44, vijfde lid, van de Waterschapswet.
2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie:
a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij zijn ambt vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel
c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
3. Het dagelijks bestuur vermindert op verzoek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
4. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het dagelijks bestuur het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de voorzitter onderscheidenlijk het lid van het dagelijks bestuur.
5. Het dagelijks bestuur vordert, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de voorzitter onderscheidenlijk het lid van het dagelijks bestuur.
6. Indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het tweede lid heeft ingezonden of niet heeft voldaan aan het zesde lid, en het dagelijks bestuur niet uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden, stelt het dagelijks bestuur de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis.
8. Op verzoek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur kan het dagelijks bestuur besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.
a. bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als voorzitter of lid van het dagelijks bestuur genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede of derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 4.2.1, vijfde lid, en aangevuld op grond van artikel 4.2.2;
b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 48, zesde lid, of artikel 44, vijfde lid, van de Waterschapswet.
2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie:
a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij zijn ambt vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel
c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
3. Het dagelijks bestuur vermindert op verzoek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
4. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het dagelijks bestuur het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de voorzitter onderscheidenlijk het lid van het dagelijks bestuur.
5. Het dagelijks bestuur vordert, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de voorzitter onderscheidenlijk het lid van het dagelijks bestuur.
6. Indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het tweede lid heeft ingezonden of niet heeft voldaan aan het zesde lid, en het dagelijks bestuur niet uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden, stelt het dagelijks bestuur de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis.
8. Op verzoek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur kan het dagelijks bestuur besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.