BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 3.2.3
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als burgemeester of wethouder genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste, tweede of derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 3.2.1, tiende lid, en aangevuld op grond van artikel 3.2.2;
b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 66, zesde lid, of artikel 44, zesde lid, van de Gemeentewet.
2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de burgemeester of de wethouder aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie:
a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer neveninkomsten heeft genoten dan 14% van de bezoldiging over dat jaar of, indien hij zijn ambt gedurende een gedeelte van het kalenderjaar vervulde, een evenredig deel daarvan, dan wel
c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
3. Het college van burgemeester en wethouders verminderen op verzoek van de burgemeester of de wethouder diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
4. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder.
5. Het college van burgemeester en wethouders vordert, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder.
6. Indien de burgemeester of de wethouder geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De burgemeester of de wethouder meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de burgemeester of de wethouder binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het tweede lid heeft ingezonden of niet heeft voldaan aan het zesde lid, en het college van burgemeester en wethouders niet uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden, stelt het college de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis.
8. Op verzoek van de burgemeester of de wethouder kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.
a. bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als burgemeester of wethouder genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste, tweede of derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 3.2.1, tiende lid, en aangevuld op grond van artikel 3.2.2;
b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 66, zesde lid, of artikel 44, zesde lid, van de Gemeentewet.
2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de burgemeester of de wethouder aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie:
a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer neveninkomsten heeft genoten dan 14% van de bezoldiging over dat jaar of, indien hij zijn ambt gedurende een gedeelte van het kalenderjaar vervulde, een evenredig deel daarvan, dan wel
c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
3. Het college van burgemeester en wethouders verminderen op verzoek van de burgemeester of de wethouder diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
4. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder.
5. Het college van burgemeester en wethouders vordert, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder.
6. Indien de burgemeester of de wethouder geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De burgemeester of de wethouder meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de burgemeester of de wethouder binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het tweede lid heeft ingezonden of niet heeft voldaan aan het zesde lid, en het college van burgemeester en wethouders niet uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden, stelt het college de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis.
8. Op verzoek van de burgemeester of de wethouder kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.