BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 4.2.6
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. De voorzitter ontvangt een vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten van € 490,81 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor.
2. Het lid van het dagelijks bestuur ontvangt een vergoeding van € 451,55 per maand voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor. Indien een lid van het dagelijks bestuur gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast, ontvangt hij voor die tijd een vergoeding van € 490,81 per maand voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten.
3. Wanneer de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, voor die maand naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand genoten.
4. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
2. Het lid van het dagelijks bestuur ontvangt een vergoeding van € 451,55 per maand voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor. Indien een lid van het dagelijks bestuur gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast, ontvangt hij voor die tijd een vergoeding van € 490,81 per maand voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten.
3. Wanneer de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, voor die maand naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand genoten.
4. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.