BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 4.2.7
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. Indien de voorzitter bij zijn benoeming zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in het waterschap, heeft hij ten laste van het waterschap eenmalig aanspraak op een vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing naar het waterschap in verband met zijn benoeming.
2. Een voorzitter die bij zijn benoeming verplicht is om zijn werkelijke woonplaats in het waterschap te hebben, heeft voor de duur dat hij zijn werkelijke woonplaats nog niet in het waterschap heeft, ten laste van het waterschap, aanspraak op:
a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en
b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
3. Indien een voorzitter bij zijn benoeming verplicht is om zijn werkelijke woonplaats in het waterschap te hebben, in verband daarmee is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten, alsmede een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
4. Indien een voorzitter bij zijn benoeming verplicht is om zijn werkelijke woonplaats in het waterschap te hebben, hij in verband daarmee is verhuisd en op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, heeft hij uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming, eenmalig aanspraak op een vergoeding voor de kosten van verhuizing bij vertrek uit het waterschap of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning, voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding.
5. Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van het waterschap aan de voorzitter vergoed.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
2. Een voorzitter die bij zijn benoeming verplicht is om zijn werkelijke woonplaats in het waterschap te hebben, heeft voor de duur dat hij zijn werkelijke woonplaats nog niet in het waterschap heeft, ten laste van het waterschap, aanspraak op:
a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en
b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
3. Indien een voorzitter bij zijn benoeming verplicht is om zijn werkelijke woonplaats in het waterschap te hebben, in verband daarmee is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten, alsmede een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
4. Indien een voorzitter bij zijn benoeming verplicht is om zijn werkelijke woonplaats in het waterschap te hebben, hij in verband daarmee is verhuisd en op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, heeft hij uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming, eenmalig aanspraak op een vergoeding voor de kosten van verhuizing bij vertrek uit het waterschap of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning, voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding.
5. Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van het waterschap aan de voorzitter vergoed.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.