BWBR0006743
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 30
Rechtspositiebesluit burgemeesters
1. Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de burgemeester voor de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter beschikking gesteld.
2. Indien geen computer en bijbehorende apparatuur en software ter beschikking is gesteld wordt door het college van burgemeester en wethouders aan de burgemeester op aanvraag voor de uitoefening van het ambt, een tegemoetkoming verleend voor de
a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software of,
b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.
3. Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de burgemeester voor de uitoefening van het ambt communicatieapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld.
4. Op aanvraag wordt door het college van burgemeester en wethouders een vergoeding aan de burgemeester verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.
5. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computer- en communicatieapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het vierde lid.
2. Indien geen computer en bijbehorende apparatuur en software ter beschikking is gesteld wordt door het college van burgemeester en wethouders aan de burgemeester op aanvraag voor de uitoefening van het ambt, een tegemoetkoming verleend voor de
a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software of,
b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.
3. Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de burgemeester voor de uitoefening van het ambt communicatieapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld.
4. Op aanvraag wordt door het college van burgemeester en wethouders een vergoeding aan de burgemeester verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.
5. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computer- en communicatieapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het vierde lid.