BWBR0005416
Geldig vanaf 2012-05-24
Artikel 36a
Gemeentewet
1. Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in artikel 10, met dien verstande dat in artikel 10, tweede lid, onder b, voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop zij tot wethouder worden benoemd.
2. Bij de benoeming is de beoogde wethouder in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>, die niet ouder is dan drie maanden.
3. De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.
4. Dezelfde persoon kan niet in meer dan één gemeente wethouder zijn.
2. Bij de benoeming is de beoogde wethouder in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>, die niet ouder is dan drie maanden.
3. De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.
4. Dezelfde persoon kan niet in meer dan één gemeente wethouder zijn.