BWBR0041522
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 3.2.4
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
1. In het geval van overlijden van de burgemeester of de wethouder wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste of tweede, onderscheidenlijk derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de overledene laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de overledene.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden burgemeester of wethouder ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.
3. Indien voor de overledene een tijdsbestedingsnorm als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewetwas vastgesteld, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van die tijdsbestedingsnorm uitgekeerd.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden burgemeester of wethouder ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.
3. Indien voor de overledene een tijdsbestedingsnorm als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewetwas vastgesteld, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van die tijdsbestedingsnorm uitgekeerd.