BWBR0020368
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 4:81f
Wet op het financieel toezicht
1. Een kredietservicer houdt de gelden die hij van een kredietnemer heeft ontvangen om deze over te maken aan een kredietkoper aan op een rekening die uitsluitend daarvoor is bestemd.
2. De rekening wordt aangehouden bij een bank met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de uitoefening van het bedrijf van bank, verleend door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank. Uit de tenaamstelling van deze rekening blijkt dat deze door kredietservicer wordt aangehouden in eigen naam ten behoeve van een of meer derden, met vermelding van de hoedanigheid van de kredietservicer.
3. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/276" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 276 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>vormen de op een rekening als bedoeld in het eerste lid aangehouden geldmiddelen een afgescheiden vermogen dat uitsluitend dient tot voldoening van vorderingen van een kredietkoper voor wie geldmiddelen op de rekening zijn geadministreerd, voor zover die vorderingen verband houden met het toevertrouwen van de geldmiddelen aan de kredietservicer.
4. De kredietservicer draagt zorg voor een adequate administratie van het afgescheiden vermogen.
5. Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op een kredietservicer die in het kader van zijn bedrijfsmodel niet voornemens is gelden van kredietnemers te ontvangen en op de rekening aan te houden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting, de administratie en het beheer van de rekening.
2. De rekening wordt aangehouden bij een bank met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de uitoefening van het bedrijf van bank, verleend door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank. Uit de tenaamstelling van deze rekening blijkt dat deze door kredietservicer wordt aangehouden in eigen naam ten behoeve van een of meer derden, met vermelding van de hoedanigheid van de kredietservicer.
3. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/276" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 276 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>vormen de op een rekening als bedoeld in het eerste lid aangehouden geldmiddelen een afgescheiden vermogen dat uitsluitend dient tot voldoening van vorderingen van een kredietkoper voor wie geldmiddelen op de rekening zijn geadministreerd, voor zover die vorderingen verband houden met het toevertrouwen van de geldmiddelen aan de kredietservicer.
4. De kredietservicer draagt zorg voor een adequate administratie van het afgescheiden vermogen.
5. Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op een kredietservicer die in het kader van zijn bedrijfsmodel niet voornemens is gelden van kredietnemers te ontvangen en op de rekening aan te houden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting, de administratie en het beheer van de rekening.