BWBR0020368
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 1:46
Wet op het financieel toezicht
1. De toezichthouders werken samen met het oog op de vaststelling van algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels opdat deze, voorzover zij betrekking hebben op onderwerpen die zowel tot het prudentieel toezicht als tot het gedragstoezicht behoren, zoveel mogelijk gelijkluidend zijn.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde onderwerpen worden in elk geval gerekend:
a. het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in afdeling 1.4.2;
b. het beloningsbeleid, bedoeld in hoofdstuk 1.7;
c. de betrouwbaarheid, bedoeld in de artikelen 3:9 en 4:10;
d. de geschiktheid, bedoeld in de artikelen 3:8 en 4:9;
e. de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3:17, tweede lid, onderdelen a en b, en 4:14, tweede lid, onderdelen a en b; en
f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde onderwerpen worden in elk geval gerekend:
a. het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in afdeling 1.4.2;
b. het beloningsbeleid, bedoeld in hoofdstuk 1.7;
c. de betrouwbaarheid, bedoeld in de artikelen 3:9 en 4:10;
d. de geschiktheid, bedoeld in de artikelen 3:8 en 4:9;
e. de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3:17, tweede lid, onderdelen a en b, en 4:14, tweede lid, onderdelen a en b; en
f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.