BWBR0020368
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 3a:5
Wet op het financieel toezicht
1. Een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een staat die geen lidstaat is tot afwikkeling van een bank, beleggingsonderneming of moederonderneming met zetel in die staat, wordt van rechtswege erkend en ten uitvoer gelegd ten aanzien van een dochteronderneming met zetel in Nederland, een in Nederland gelegen bijkantoor, of ten aanzien van activa of passiva die zich in Nederland bevinden dan wel waarop Nederlands recht van toepassing is, indien:
a. dit volgt uit een verdrag als bedoeld in artikel 93 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tussen de Europese Unie en de betreffende staat;
b. dit volgt uit een verdrag waarbij Nederland en de betreffende staat partij zijn;
c. dit volgt uit een besluit van een Europees afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 94, tweede lid, van die richtlijn, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 95 van die richtlijn anders beslist; of
d. dit volgt uit een besluit van de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 94, derde lid, van die richtlijn.
2. Voor zover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid, beschikt de Nederlandsche Bank over de bevoegdheden in de afdelingen 3A.1.3 tot en met 3A.1.8.
3. Het eerste en tweede lid laten toepassing van de <a href="/wet/BWBR0001860" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titels I</a>en <a href="/wet/BWBR0001860" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">II van de Faillissementswet</a>en van afdeling 3.5.5van deze wet onverlet.
a. dit volgt uit een verdrag als bedoeld in artikel 93 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tussen de Europese Unie en de betreffende staat;
b. dit volgt uit een verdrag waarbij Nederland en de betreffende staat partij zijn;
c. dit volgt uit een besluit van een Europees afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 94, tweede lid, van die richtlijn, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 95 van die richtlijn anders beslist; of
d. dit volgt uit een besluit van de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 94, derde lid, van die richtlijn.
2. Voor zover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid, beschikt de Nederlandsche Bank over de bevoegdheden in de afdelingen 3A.1.3 tot en met 3A.1.8.
3. Het eerste en tweede lid laten toepassing van de <a href="/wet/BWBR0001860" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titels I</a>en <a href="/wet/BWBR0001860" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">II van de Faillissementswet</a>en van afdeling 3.5.5van deze wet onverlet.