BWBR0020368
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 3a:57a
Wet op het financieel toezicht
1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3A:20b, 3A:20een 3A:52 tot en met 3A:55, en ermee instemmen dat artikel 1:76bin samenhang met 3A:57van toepassing is boven het recht dat van toepassing is op de financiële overeenkomst.
2. De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn of die een beleggingsondernemingen zou zijn indien zij hun zetel in Nederland zouden hebben de in het eerste lid bedoelde bepaling opnemen in door hen gesloten financiële overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.
2. De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn of die een beleggingsondernemingen zou zijn indien zij hun zetel in Nederland zouden hebben de in het eerste lid bedoelde bepaling opnemen in door hen gesloten financiële overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.