BWBR0020368
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 3a:25a
Wet op het financieel toezicht
1. De Nederlandsche Bank kan, indien na toepassing van artikel 3A:21op basis van een voorlopige waardering als bedoeld in artikel 20, tiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, uit de definitieve waardering, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van een eigendomsinstrument kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21had kunnen worden volstaan, de hoofdsom verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering.
2. Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid besluit tot verhoging van de hoofdsom van een eigendomsinstrument kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21die zij aanvankelijk had verminderd tot nihil, is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit artikel 3A:25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid besluit tot verhoging van de hoofdsom van een eigendomsinstrument kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21die zij aanvankelijk had verminderd tot nihil, is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit artikel 3A:25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.