BWBR0041636
Geldig vanaf 2019-06-01
Artikel 48
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
1. Aan de ambtenaar die voor zijn afhankelijk kind geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 15ontvangt, wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden, met inachtneming van het tweede tot en met achtste lid.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken aan de ambtenaar van tickets overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor twee reizen in de in het eerste lid bedoelde periode. De ambtenaar is vrij in de keuze op welke wijze de verdeling van het aantal reizen in de periode van twaalf maanden plaatsvindt en of het kind of hijzelf de reis onderneemt.
3. De ambtenaar die zelf de herenigingsreis onderneemt en meer dan één afhankelijk kind heeft dat niet op de standplaats verblijft, bezoekt tijdens die reis zo mogelijk ook zijn andere afhankelijke kinderen. Indien die kinderen binnen een redelijke afstand van elkaar maar niet allemaal in dezelfde verblijfplaats wonen, worden de reiskosten die de ambtenaar of het kind of de kinderen lokaal moeten maken om herenigd te worden aan de ambtenaar vergoed overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
4. Voor het in het derde lid bedoelde kind waarvoor de reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenlandzijn vergoed, maakt de ambtenaar in die periode geen aanspraak meer op een ticket als bedoeld in het tweede lid.
5. Een ticket heeft uitsluitend betrekking op het traject van de vaste verblijfsplaats van het kind naar de standplaats vice versa dan wel van de standplaats naar die verblijfplaats vice versa.
6. In een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan de ambtenaar die voor een afhankelijk kind door 3W als enig rechthebbende is aangewezen afstand doen van de aanspraak op een herenigingsreis als bedoeld in dit artikel, ten gunste van de bij een andere post geplaatste ambtenaar die tevens ouder is van het kind.
7. Indien de in het tweede lid bedoelde keuze tot onevenredig hoge kosten leidt in vergelijking met alternatieve reisschema’s, kan 3W besluiten dat ten hoogste de kosten van een passend te achten alternatief reisschema voor vergoeding in aanmerking komen.
8. Artikel 47, zesde tot en met negende lid, zijn van overeenkomstige toepasing. In aanvulling op de eerste volzin eindigt de aanspraak op de in dit artikel bedoelde voorziening ook indien het kind binnen vier maanden na afloop van de herenigingsreis de leeftijd van 25 jaar bereikt dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken aan de ambtenaar van tickets overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor twee reizen in de in het eerste lid bedoelde periode. De ambtenaar is vrij in de keuze op welke wijze de verdeling van het aantal reizen in de periode van twaalf maanden plaatsvindt en of het kind of hijzelf de reis onderneemt.
3. De ambtenaar die zelf de herenigingsreis onderneemt en meer dan één afhankelijk kind heeft dat niet op de standplaats verblijft, bezoekt tijdens die reis zo mogelijk ook zijn andere afhankelijke kinderen. Indien die kinderen binnen een redelijke afstand van elkaar maar niet allemaal in dezelfde verblijfplaats wonen, worden de reiskosten die de ambtenaar of het kind of de kinderen lokaal moeten maken om herenigd te worden aan de ambtenaar vergoed overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
4. Voor het in het derde lid bedoelde kind waarvoor de reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenlandzijn vergoed, maakt de ambtenaar in die periode geen aanspraak meer op een ticket als bedoeld in het tweede lid.
5. Een ticket heeft uitsluitend betrekking op het traject van de vaste verblijfsplaats van het kind naar de standplaats vice versa dan wel van de standplaats naar die verblijfplaats vice versa.
6. In een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan de ambtenaar die voor een afhankelijk kind door 3W als enig rechthebbende is aangewezen afstand doen van de aanspraak op een herenigingsreis als bedoeld in dit artikel, ten gunste van de bij een andere post geplaatste ambtenaar die tevens ouder is van het kind.
7. Indien de in het tweede lid bedoelde keuze tot onevenredig hoge kosten leidt in vergelijking met alternatieve reisschema’s, kan 3W besluiten dat ten hoogste de kosten van een passend te achten alternatief reisschema voor vergoeding in aanmerking komen.
8. Artikel 47, zesde tot en met negende lid, zijn van overeenkomstige toepasing. In aanvulling op de eerste volzin eindigt de aanspraak op de in dit artikel bedoelde voorziening ook indien het kind binnen vier maanden na afloop van de herenigingsreis de leeftijd van 25 jaar bereikt dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is.