BWBR0041636
Geldig vanaf 2019-06-01
Artikel 81
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
1. Aan de ambtenaar wiens afhankelijk kind direct voorafgaande aan zijn overplaatsing naar Nederland gedurende ten minste één volledig schooljaar voor rijksrekening primair of secundair niet-Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd en dat onderwijs in dezelfde taal in Nederland voortzet, worden de daarmee verband houdende kosten, met inachtneming van het tweede tot en met het zesde lid, vergoed.
2. De in het eerste lid bedoelde kosten worden ten hoogste vergoed tot het niveau van de door de International School of The Hague of een daarmee vergelijkbare door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde onderwijsinstelling in Nederland in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor het volgen van dat onderwijs.
3. Indien door het kind onderwijs is gevolgd in een Amerikaans of Brits curriculum of het kind Frans-, Duits- of Spaanstalig onderwijs heeft gevolgd en dat onderwijs in hetzelfde curriculum respectievelijk in dezelfde taal in Nederland voortzet, worden in afwijking van het tweede lid de door de desbetreffende onderwijsinstelling in rekening gebrachte kosten vergoed als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor het volgen van dat onderwijs. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing indien het in het eerste lid bedoelde kind niet wordt toegelaten op een in het eerste lid bedoelde school.
4. Indien het in het eerste lid bedoelde kind in Nederland tweetalig onderwijs gaat volgen bij een door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde onderwijsinstelling, worden de daarvoor door de onderwijsinstelling aan de ambtenaar in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aan hem vergoed.
5. De aanspraak op de in dit artikel bedoelde vergoeding bestaat voor een periode van ten hoogste zes jaar gerekend vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland en vervalt bij ontslag.
6. Artikel 21, derde, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De in het eerste lid bedoelde kosten worden ten hoogste vergoed tot het niveau van de door de International School of The Hague of een daarmee vergelijkbare door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde onderwijsinstelling in Nederland in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor het volgen van dat onderwijs.
3. Indien door het kind onderwijs is gevolgd in een Amerikaans of Brits curriculum of het kind Frans-, Duits- of Spaanstalig onderwijs heeft gevolgd en dat onderwijs in hetzelfde curriculum respectievelijk in dezelfde taal in Nederland voortzet, worden in afwijking van het tweede lid de door de desbetreffende onderwijsinstelling in rekening gebrachte kosten vergoed als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor het volgen van dat onderwijs. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing indien het in het eerste lid bedoelde kind niet wordt toegelaten op een in het eerste lid bedoelde school.
4. Indien het in het eerste lid bedoelde kind in Nederland tweetalig onderwijs gaat volgen bij een door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde onderwijsinstelling, worden de daarvoor door de onderwijsinstelling aan de ambtenaar in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aan hem vergoed.
5. De aanspraak op de in dit artikel bedoelde vergoeding bestaat voor een periode van ten hoogste zes jaar gerekend vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland en vervalt bij ontslag.
6. Artikel 21, derde, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.