BWBR0041636
Geldig vanaf 2019-06-01
Artikel 57
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
1. Dit hoofdstuk is, met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid, van toepassing op de ambtenaar:
a. wiens plaatsing bij een post wordt of is beëindigd, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan werd bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden;
b. wiens plaatsing in Nederland wordt of is beëindigd vanwege een besluit tot plaatsing bij een post, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan wordt bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden.
2. In aanvulling op het eerste lid zijn de artikelen 58, 60, 61, 62, 63, 66, 67, 68, 69, 70en 71van overeenkomstige toepassing op:
a. de in het eerste lid, onder a, bedoelde ambtenaar die na beëindiging van zijn plaatsing langdurig verlof geniet of zal gaan genieten als bedoeld in de artikelen 45b of 46, derde lid, van het RDBZ of die daarmee, naar het oordeel van 3W, overeenkomend langdurig verlof geniet of zal gaan genieten, en
b. de ambtenaar wiens dienstverband eindigt direct na beëindiging van diens plaatsing bij een post.
3. Voor de toepassing van de artikelen 60, 61, 62, 63, 64, 65, 68, 69, 70en 71geldt de eerste tandempartner als de ambtenaar en geldt de tweede tandempartner als de partner van de eerste tandempartner.
4. De aanspraak op de in de artikelen 60en 61bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post eindigt als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en vervalt indien de in artikel 60 bedoelde overplaatsingsreis niet binnen een als redelijk te achten korte termijn heeft plaatsgevonden.
5. De aanspraak op de in de artikelen 63 tot en met 67bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post eindigt als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en vervalt indien daarvan binnen drie maanden na bedoeld moment geen gebruik is gemaakt. Het transport en de aflevering van de boedel, bedoeld in artikel 62, dienen plaats te hebben gevonden binnen een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan. De kosten van de tijdelijke opslag van de boedel komen gedurende ten hoogste negen maanden, gerekend vanaf het moment waarop die aanspraak is ontstaan, voor rijksrekening. De kosten verbonden aan de tijdelijke opslag na negen maanden voldoet de ambtenaar rechtstreeks aan de in artikel 63, tiende lid, bedoelde organisatie.
a. wiens plaatsing bij een post wordt of is beëindigd, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan werd bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden;
b. wiens plaatsing in Nederland wordt of is beëindigd vanwege een besluit tot plaatsing bij een post, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan wordt bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden.
2. In aanvulling op het eerste lid zijn de artikelen 58, 60, 61, 62, 63, 66, 67, 68, 69, 70en 71van overeenkomstige toepassing op:
a. de in het eerste lid, onder a, bedoelde ambtenaar die na beëindiging van zijn plaatsing langdurig verlof geniet of zal gaan genieten als bedoeld in de artikelen 45b of 46, derde lid, van het RDBZ of die daarmee, naar het oordeel van 3W, overeenkomend langdurig verlof geniet of zal gaan genieten, en
b. de ambtenaar wiens dienstverband eindigt direct na beëindiging van diens plaatsing bij een post.
3. Voor de toepassing van de artikelen 60, 61, 62, 63, 64, 65, 68, 69, 70en 71geldt de eerste tandempartner als de ambtenaar en geldt de tweede tandempartner als de partner van de eerste tandempartner.
4. De aanspraak op de in de artikelen 60en 61bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post eindigt als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en vervalt indien de in artikel 60 bedoelde overplaatsingsreis niet binnen een als redelijk te achten korte termijn heeft plaatsgevonden.
5. De aanspraak op de in de artikelen 63 tot en met 67bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post eindigt als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en vervalt indien daarvan binnen drie maanden na bedoeld moment geen gebruik is gemaakt. Het transport en de aflevering van de boedel, bedoeld in artikel 62, dienen plaats te hebben gevonden binnen een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan. De kosten van de tijdelijke opslag van de boedel komen gedurende ten hoogste negen maanden, gerekend vanaf het moment waarop die aanspraak is ontstaan, voor rijksrekening. De kosten verbonden aan de tijdelijke opslag na negen maanden voldoet de ambtenaar rechtstreeks aan de in artikel 63, tiende lid, bedoelde organisatie.