BWBR0041636
Geldig vanaf 2019-06-01
Artikel 47
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
1. Aan de ambtenaar die geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14ontvangt, wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden met inachtneming van het tweede tot en met negende lid.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken van tickets overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor drie reizen in de in het eerste lid bedoelde periode. De ambtenaar is vrij in de keuze op welke wijze de verdeling van de drie reizen in de periode van twaalf maanden plaatsvindt en of de partner of hijzelf de reis onderneemt.
3. In afwijking van het tweede lid bestaat voor ambtenaren die elkaars partner zijn en beiden bij een verschillende post zijn geplaatst, aanspraak op voor hen beiden in totaal tickets voor drie reizen per aaneengesloten periode van twaalf maanden.
4. Onverminderd het tweede lid, heeft het ticket uitsluitend betrekking op het rechtstreekse traject tussen de vaste verblijfplaats van de partner en de standplaats van de ambtenaar vice versa dan wel, indien zowel de ambtenaar als zijn partner bij een post zijn geplaatst, tussen de standplaatsen vice versa.
5. In afwijking van het vierde lid heeft het ticket van de ambtenaar en zijn partner die beiden bij een post zijn geplaatst met zone-indeling 14 of hoger dan wel bij een door de secretaris-generaal of HDPO aangewezen andere standplaats, onder de daarbij vastgestelde voorwaarden betrekking op het traject tussen de standplaatsen en Nederland vice versa dan wel tussen de standplaatsen naar een andere gezamenlijke bestemming dan Nederland tot ten hoogste de ticketkosten die betrekking hebben op het traject van de standplaatsen naar Nederland vice versa.
6. De aanspraak op tickets vervalt na afloop van de desbetreffende periode van twaalf maanden.
7. In afwijking van het tweede lid kan op verzoek van de ambtenaar of zijn in het eerste lid bedoelde partner een in het tweede lid bedoelde reis geheel met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 26, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Op de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen vier maanden na aanvang van de reis wordt of is beëindigd.
9. Indien op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het achtste lid geen aanspraak bestaat, wordt het hierop betrekking hebbende bedrag teruggevorderd, tenzij de ambtenaar ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken van tickets overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor drie reizen in de in het eerste lid bedoelde periode. De ambtenaar is vrij in de keuze op welke wijze de verdeling van de drie reizen in de periode van twaalf maanden plaatsvindt en of de partner of hijzelf de reis onderneemt.
3. In afwijking van het tweede lid bestaat voor ambtenaren die elkaars partner zijn en beiden bij een verschillende post zijn geplaatst, aanspraak op voor hen beiden in totaal tickets voor drie reizen per aaneengesloten periode van twaalf maanden.
4. Onverminderd het tweede lid, heeft het ticket uitsluitend betrekking op het rechtstreekse traject tussen de vaste verblijfplaats van de partner en de standplaats van de ambtenaar vice versa dan wel, indien zowel de ambtenaar als zijn partner bij een post zijn geplaatst, tussen de standplaatsen vice versa.
5. In afwijking van het vierde lid heeft het ticket van de ambtenaar en zijn partner die beiden bij een post zijn geplaatst met zone-indeling 14 of hoger dan wel bij een door de secretaris-generaal of HDPO aangewezen andere standplaats, onder de daarbij vastgestelde voorwaarden betrekking op het traject tussen de standplaatsen en Nederland vice versa dan wel tussen de standplaatsen naar een andere gezamenlijke bestemming dan Nederland tot ten hoogste de ticketkosten die betrekking hebben op het traject van de standplaatsen naar Nederland vice versa.
6. De aanspraak op tickets vervalt na afloop van de desbetreffende periode van twaalf maanden.
7. In afwijking van het tweede lid kan op verzoek van de ambtenaar of zijn in het eerste lid bedoelde partner een in het tweede lid bedoelde reis geheel met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 26, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Op de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen vier maanden na aanvang van de reis wordt of is beëindigd.
9. Indien op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het achtste lid geen aanspraak bestaat, wordt het hierop betrekking hebbende bedrag teruggevorderd, tenzij de ambtenaar ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing.