BWBR0041636
Geldig vanaf 2019-06-01
Artikel 50
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
1. Op de in de artikelen 51 tot en met 54bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar die voor zijn afhankelijk kind vanwege een erkende reden geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 15ontvangt.
2. Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien een kind:
a. op de vorige standplaats voor het volgen van onderwijs is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;
b. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;
c. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs;
d. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een langdurig verblijf daar niet toelaten dan wel een langdurig verblijf daar door de autoriteiten van het gastland niet wordt toegestaan.
Artikel 44, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet indien:
a. de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, of
b. het kind uit een eerder huwelijk of eerdere andere relatie is voortgekomen en dat kind niet voor meer dan de helft ten laste komt van de ambtenaar.
4. De ambtenaar heeft voor een afhankelijk kind, in afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, aanspraak op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verhoging van zijn standplaatstoelage, inclusief het in artikel 19bedoelde gedeelte van de standplaatstoelage dat voor koopkracht wordt gecorrigeerd voor zover dit betrekking heeft op een kind, indien:
a. hij in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van artikel 46 en het kind bij zijn partner verblijft, of
b. het kind op grond van het tweede lid, onder a of b, op de vorige standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats.
2. Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien een kind:
a. op de vorige standplaats voor het volgen van onderwijs is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;
b. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;
c. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs;
d. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een langdurig verblijf daar niet toelaten dan wel een langdurig verblijf daar door de autoriteiten van het gastland niet wordt toegestaan.
Artikel 44, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet indien:
a. de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, of
b. het kind uit een eerder huwelijk of eerdere andere relatie is voortgekomen en dat kind niet voor meer dan de helft ten laste komt van de ambtenaar.
4. De ambtenaar heeft voor een afhankelijk kind, in afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, aanspraak op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verhoging van zijn standplaatstoelage, inclusief het in artikel 19bedoelde gedeelte van de standplaatstoelage dat voor koopkracht wordt gecorrigeerd voor zover dit betrekking heeft op een kind, indien:
a. hij in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van artikel 46 en het kind bij zijn partner verblijft, of
b. het kind op grond van het tweede lid, onder a of b, op de vorige standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats.