BWBR0041636
Geldig vanaf 2019-06-01
Artikel 26
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
1. Per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, wordt hem een vliegticket of een treinticket verstrekt overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor een reis, te ondernemen in die periode van twaalf maanden, van de standplaats naar Nederland vice versa voor hem en zijn gezinsleden waarvoor hij in die periode een verhoging van zijn standplaatstoelage ontvangt op grond van de artikelen 14en 15.
2. Op verzoek van de ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde periode door het hoofd van de post worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden, mits het dienstbelang zich daartegen naar het oordeel van het hoofd van de post niet verzet. Ook ingeval van verlenging vindt vaststelling van de volgende periode(n) van twaalf maanden plaats op de in het eerste lid genoemde wijze. Indien de verzoeker het hoofd van de post zelf is, beslist diens plaatsvervanger over het ingediende verzoek.
3. Indien voor de in het eerste lid bedoelde reis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 23 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, één stuk met een maximum van 23 kilogram of zoveel meer als de luchtvaartmaatschappij zonder meerkosten toestaat. In dat maximum is begrepen de door de luchtvaartmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
4. Indien de ambtenaar of een gezinslid in afwijking van het eerste lid de reis geheel met de auto maakt, wordt per persoon een vergoeding van € 0,28 per gereden kilometer toegekend voor ten hoogste de snelste route tussen de standplaats en Den Haag vice versa en de noodzakelijk gemaakte kosten voor tolwegen, veerdiensten en de Kanaaltunnel of daarmee vergelijkbare kosten. De in de vorige volzin bedoelde vergoeding wordt toegekend voor het reizen met ten hoogste twee auto’s, waarbij de afstand wordt vastgesteld met gebruikmaking van de Google Maps routeplanner.
5. De in het vierde lid bedoelde vergoeding is voor iedere in het vierde lid bedoelde persoon niet hoger dan het voor de standplaats vermelde bedrag in Bijlage B, onder 9. De in Bijlage B, onder 9, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld op basis van een schatting van de kosten van een vliegticket in economy klasse van de standplaats naar Amsterdam vice versa dat ten minste 12 weken voor aanvang van de reis is aangeschaft. De in de vorige volzin bedoelde bedragen hebben betrekking op de posten gelegen binnen 2.000 kilometer gemeten over de weg via de snelste route vanaf Den Haag onder gebruikmaking van de Google Maps routeplanner en worden aan het begin van ieder kalenderjaar vastgesteld, na advies van de reisagent. Voor de overige posten geldt het hoogste in Bijlage B, onder 9, vermelde bedrag.
6. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
7. Indien aan de ambtenaar op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het zesde lid geen aanspraak bestaat, worden de hierop betrekking hebbende bedragen teruggevorderd, tenzij de ambtenaar:
a. ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing, dan wel
b. naar een andere post wordt overgeplaatst, de overplaatsingsreis niet via Nederland plaatsvindt en er overigens geen redenen zijn om terug te vorderen.
2. Op verzoek van de ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde periode door het hoofd van de post worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden, mits het dienstbelang zich daartegen naar het oordeel van het hoofd van de post niet verzet. Ook ingeval van verlenging vindt vaststelling van de volgende periode(n) van twaalf maanden plaats op de in het eerste lid genoemde wijze. Indien de verzoeker het hoofd van de post zelf is, beslist diens plaatsvervanger over het ingediende verzoek.
3. Indien voor de in het eerste lid bedoelde reis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 23 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, één stuk met een maximum van 23 kilogram of zoveel meer als de luchtvaartmaatschappij zonder meerkosten toestaat. In dat maximum is begrepen de door de luchtvaartmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
4. Indien de ambtenaar of een gezinslid in afwijking van het eerste lid de reis geheel met de auto maakt, wordt per persoon een vergoeding van € 0,28 per gereden kilometer toegekend voor ten hoogste de snelste route tussen de standplaats en Den Haag vice versa en de noodzakelijk gemaakte kosten voor tolwegen, veerdiensten en de Kanaaltunnel of daarmee vergelijkbare kosten. De in de vorige volzin bedoelde vergoeding wordt toegekend voor het reizen met ten hoogste twee auto’s, waarbij de afstand wordt vastgesteld met gebruikmaking van de Google Maps routeplanner.
5. De in het vierde lid bedoelde vergoeding is voor iedere in het vierde lid bedoelde persoon niet hoger dan het voor de standplaats vermelde bedrag in Bijlage B, onder 9. De in Bijlage B, onder 9, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld op basis van een schatting van de kosten van een vliegticket in economy klasse van de standplaats naar Amsterdam vice versa dat ten minste 12 weken voor aanvang van de reis is aangeschaft. De in de vorige volzin bedoelde bedragen hebben betrekking op de posten gelegen binnen 2.000 kilometer gemeten over de weg via de snelste route vanaf Den Haag onder gebruikmaking van de Google Maps routeplanner en worden aan het begin van ieder kalenderjaar vastgesteld, na advies van de reisagent. Voor de overige posten geldt het hoogste in Bijlage B, onder 9, vermelde bedrag.
6. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
7. Indien aan de ambtenaar op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het zesde lid geen aanspraak bestaat, worden de hierop betrekking hebbende bedragen teruggevorderd, tenzij de ambtenaar:
a. ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing, dan wel
b. naar een andere post wordt overgeplaatst, de overplaatsingsreis niet via Nederland plaatsvindt en er overigens geen redenen zijn om terug te vorderen.