1. De bevoegde autoriteit in de zin van de in de artikelen 1.6en 1.9bedoelde reglementen is de minister.
2. In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit:
a. de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken in artikel 2.18 van het RosR;
b. de voorzitter van de commissie van deskundigen in de artikelen 2.11, eerste lid, 2.12, tweede lid, 2.20, eerste, tweede en derde lid, en 2.21, eerste, tweede, derde en vierde lid van het RosR en de artikelen 9.00, tweede lid, 9.01, vijfde lid, 9.05, 9.06, 9.07, 9.08 en artikel 9.09, tweede lid, onderdeel b, en 25.01, tweede lid, onderdeel h, van ES-TRIN;
c. de hoofdingenieurs-directeuren van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Zuid-Holland, ieder voor zover het zijn ambtsgebied betreft, in de artikel 2.11, eerste lid, van het RosR en de artikelen 5.03, eerste lid en 23.01 van ES-TRIN;
d. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering in de artikelen 2.11, eerste lid.
3. In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het
Rsp:
a. de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport in de artikelen 2.01, 3.03, 4.01, tweede lid, 4.02, derde lid, 5.01, derde lid, 8.01, 8.02, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 8.03, eerste en derde lid, 18.04, eerste, tweede en vierde lid en 20.01, tweede lid;
b. de in artikel 10.2 aangewezen ambtenaren alsmede de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012 in artikel 8.03, eerste lid;
c. de voorzitter van de commissie van deskundigen in artikel 18.04, eerste, tweede en vierde lid;
d. de Dienst wegverkeer in bijlage 5, onderdeel V, artikel 3, punt 1, van ES-TRIN;
e. de ambtenaren, bedoeld in artikel 45 van de wet in artikel 8.01;
f. het CBR in artikelen 1.05, tweede en derde lid, 1.06, eerste en tweede lid, 2.01, 4.01, tweede lid, 4.02, derde lid, 6.01, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 7.03, eerste lid, 8.01, 8.02, 8.03, 12.01, vierde lid, 12.02, derde lid, 12.03, derde lid, 12.04, eerste lid, 12.06, 12.07, 12.08, 13.02, derde en vierde lid, 13.03, vierde, vijfde en zesde lid, 13.04, derde lid, 13.06, tweede lid, 15.04, 15.05, eerste en derde lid, 15.06, tweede lid, 16.02, 16.03, 16.04, 16.05, 16.06, eerste en derde lid, 16.10 en 20.03, tweede en derde lid, 20.10, tweede lid;
g. de SAB in artikel 2.01.
4. De in het eerste en derde lid bedoelde bevoegde autoriteiten voeren het
Rspuit overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van dat reglement.
5. De minister maakt de in het vierde lid bedoelde dienstinstructies bekend in de Staatscourant.