BWBR0030215
Geldig vanaf 2023-05-04
Artikel 17.01
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
1. De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement aan boord bevinden van schepen die de Rijn bevaren, voldoen aan de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel bevinden zich tijdens de vaart voortdurend aan boord. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. Schepen waarvan door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt – passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag – indien zich aan boord naast een persoon die houder is van een kwalificatiecertificaat schipper voor het desbetreffende riviergedeelte, nog een lid van de voorgeschreven bemanning bevindt. De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen onder de zes jaar, mag geen lid van de minimumbemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
2. Elke Rijnoeverstaat of België kan bepalen dat de nationale voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen vallen onder de wettelijke voorschriften van die Rijnoeverstaat of België waarin het bedrijf zijn hoofdzetel of de eigenaar zijn wettelijke domicilie heeft. In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven, onder de voorschriften van de andere staat vallen. Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste zes weken voor en zeven weken na de bevalling geen deel uitmaken van de bemanning.
3. Voor de toepassing van de artikelen 18.01, 18.02 en 18.03 wordt tevens rekening gehouden met vaar- en rusttijden die buiten het toepassingsgebied van dit reglement vervuld zijn.
4. De houder van een Rijnpatent mag alleen de functie van schipper uitoefenen indien hij daartoe de nodige geschiktheid bezit.
5. De in het vierde lid genoemde geschiktheid kan door de bevoegde autoriteiten krachtens nationaal recht worden onderzocht. Indien de bevoegde autoriteit tot de conclusie komt dat de houder van het Rijnpatent ongeschikt is kan hem de uitoefening van de functie van schipper worden verboden. Een intrekking of schorsing als bedoeld in artikel 8.01 of 8.02 uitsluitend om deze reden is niet toegestaan.
2. Elke Rijnoeverstaat of België kan bepalen dat de nationale voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen vallen onder de wettelijke voorschriften van die Rijnoeverstaat of België waarin het bedrijf zijn hoofdzetel of de eigenaar zijn wettelijke domicilie heeft. In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven, onder de voorschriften van de andere staat vallen. Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste zes weken voor en zeven weken na de bevalling geen deel uitmaken van de bemanning.
3. Voor de toepassing van de artikelen 18.01, 18.02 en 18.03 wordt tevens rekening gehouden met vaar- en rusttijden die buiten het toepassingsgebied van dit reglement vervuld zijn.
4. De houder van een Rijnpatent mag alleen de functie van schipper uitoefenen indien hij daartoe de nodige geschiktheid bezit.
5. De in het vierde lid genoemde geschiktheid kan door de bevoegde autoriteiten krachtens nationaal recht worden onderzocht. Indien de bevoegde autoriteit tot de conclusie komt dat de houder van het Rijnpatent ongeschikt is kan hem de uitoefening van de functie van schipper worden verboden. Een intrekking of schorsing als bedoeld in artikel 8.01 of 8.02 uitsluitend om deze reden is niet toegestaan.