BWBR0025958
Geldig vanaf 2022-02-15
Artikel 3.1
Binnenvaartregeling
In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:
Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat: a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,
b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;
a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,
b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;
niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden;
skûtsje: zeilend passagiersschip: a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,
b. dat is gebouwd voor 1950, en
c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.
a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,
b. dat is gebouwd voor 1950, en
c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.
Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat: a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,
b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;
a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,
b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;
niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden;
skûtsje: zeilend passagiersschip: a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,
b. dat is gebouwd voor 1950, en
c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.
a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,
b. dat is gebouwd voor 1950, en
c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.