BWBR0023009
Geldig vanaf 2009-12-03
Artikel 30
Binnenvaartwet
1. Onze Minister kan voor een gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning ongeldig verklaren of aan een vaarbewijs of kwalificatiecertificaat voorschriften of beperkingen verbinden, indien:
a. het vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven, indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. het vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven;
c. de houder hierom schriftelijk verzoekt;
d. de houder blijkens een nader onderzoek, onder andere zoals bedoeld in artikel 23, tweede lid, niet beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist op basis van de voorschriften voor het verkrijgen van een vaarbewijs of kwalificatiecertificaat dan wel zich op eerste vordering van Onze Minister niet aan een dergelijk onderzoek onderwerpt;
e. naar zijn oordeel de houder niet over de kennis of bekwaamheid beschikt die is vereist op basis van de voorschriften voor het verkrijgen van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning; of
f. de houder niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 28, tweede lid.
2. Indien bij het nader onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, de ongeschiktheid niet blijkt, komen de kosten van het onderzoek, indien dat is uitgevoerd op vordering van Onze Minister, ten laste van het Rijk. Artikel 28, eerste lid en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het ongeldig verklaren, het invorderen en het teruggeven van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning en met betrekking tot de schorsing van een kwalificatiecertificaat.
4. De voorschriften en beperkingen bedoeld in het eerste lid worden opgenomen op het vaarbewijs of kwalificatiecertificaat.
a. het vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven, indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. het vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven;
c. de houder hierom schriftelijk verzoekt;
d. de houder blijkens een nader onderzoek, onder andere zoals bedoeld in artikel 23, tweede lid, niet beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist op basis van de voorschriften voor het verkrijgen van een vaarbewijs of kwalificatiecertificaat dan wel zich op eerste vordering van Onze Minister niet aan een dergelijk onderzoek onderwerpt;
e. naar zijn oordeel de houder niet over de kennis of bekwaamheid beschikt die is vereist op basis van de voorschriften voor het verkrijgen van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning; of
f. de houder niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 28, tweede lid.
2. Indien bij het nader onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, de ongeschiktheid niet blijkt, komen de kosten van het onderzoek, indien dat is uitgevoerd op vordering van Onze Minister, ten laste van het Rijk. Artikel 28, eerste lid en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het ongeldig verklaren, het invorderen en het teruggeven van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning en met betrekking tot de schorsing van een kwalificatiecertificaat.
4. De voorschriften en beperkingen bedoeld in het eerste lid worden opgenomen op het vaarbewijs of kwalificatiecertificaat.