BWBR0025958
Geldig vanaf 2022-02-15
Artikel 7.19
Binnenvaartregeling
1. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard in aanmerking wil komen beschikt over verklaring als bedoeld in artikel 7.17.
2. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s in aanmerking wil komen beschikt over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17.
3. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor radarvaart in aanmerking wil komen beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 7.17, over een radarpatent, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0030215/artikel/20.09" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 20.09, van het Rsp</a>, of kan aantonen dat het diploma kapitein binnenvaart of schipper binnenvaart zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110, 95640, 25972, 10651, 25510, 25971, 25635, 91900, 95630 dan wel het onderdeel radar van die opleidingen is behaald.
4. De afgifte van een specifieke vergunning voor het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof vindt plaats in de vorm van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), bedoeld in artikel 7.19a, derde lid.
5. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen in grote konvooien in aanmerking wil komen heeft een vaartijd opgebouwd van ten minste 720 dagen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper en ten minste 180 dagen als begeleider van een groot konvooi.
6. De afgifte van de specifieke vergunningen zoals bedoeld in het eerste tot en met het derde lid en het vijfde lid vindt plaats door aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper of het CCR-kwalificatiecertificaat schipper van de aanvrager en wordt bij een verlenging van het kwalificatiecertificaat opnieuw aangetekend.
7. In afwijking van het zesde lid, wordt indien de aanvrager geen houder is van een kwalificatiecertificaat schipper of CCR-kwalificatiecertificaat schipper maar wel houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbewijs als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17, tweede lid, van het besluit</a>, de specifieke vergunning als een losse verklaring afgegeven.
2. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s in aanmerking wil komen beschikt over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17.
3. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor radarvaart in aanmerking wil komen beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 7.17, over een radarpatent, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0030215/artikel/20.09" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 20.09, van het Rsp</a>, of kan aantonen dat het diploma kapitein binnenvaart of schipper binnenvaart zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110, 95640, 25972, 10651, 25510, 25971, 25635, 91900, 95630 dan wel het onderdeel radar van die opleidingen is behaald.
4. De afgifte van een specifieke vergunning voor het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof vindt plaats in de vorm van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), bedoeld in artikel 7.19a, derde lid.
5. De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen in grote konvooien in aanmerking wil komen heeft een vaartijd opgebouwd van ten minste 720 dagen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper en ten minste 180 dagen als begeleider van een groot konvooi.
6. De afgifte van de specifieke vergunningen zoals bedoeld in het eerste tot en met het derde lid en het vijfde lid vindt plaats door aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper of het CCR-kwalificatiecertificaat schipper van de aanvrager en wordt bij een verlenging van het kwalificatiecertificaat opnieuw aangetekend.
7. In afwijking van het zesde lid, wordt indien de aanvrager geen houder is van een kwalificatiecertificaat schipper of CCR-kwalificatiecertificaat schipper maar wel houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbewijs als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17, tweede lid, van het besluit</a>, de specifieke vergunning als een losse verklaring afgegeven.