BWBR0025958
Geldig vanaf 2022-02-15
Artikel 7.8
Binnenvaartregeling
1. <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit</a>is niet van toepassing op pleziervaartuigen met een lengte van 25 tot 40 meter, indien de schipper in het bezit is van:
a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; of
b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
2. <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit</a>is niet van toepassing voor pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 40 meter, indien de schipper in het bezit is van:
a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4, voorzien van de aantekening ‘40 meter plus’; of
b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
3. Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:
a. degene die geslaagd is voor het examen groot motorschip van het CBR;
b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend diploma;
c. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of
d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.
4. Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:
a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in werking treden van de wet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of
b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.
5. In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I afgegeven aan de houder van:
a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper;
b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper; of
c. een kwalificatiecertificaat schipper of een CCR-kwalificatiecertificaat schipper dat ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip.
6. In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen II afgegeven aan de houder van:
a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard;
b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard;
c. een geldig zeilbewijs;
d. een geldig klein patent; of
e. een van de onder a tot en met d genoemde documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip.
7. De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot pleziervaartbewijs II.
8. De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.
9. Op het groot pleziervaartbewijs zijn <a href="/wet/BWBR0023009/artikel/30" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 30 van de wet</a>alsmede artikel 1.4van overeenkomstige toepassing.
10. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het groot pleziervaartbewijs <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26 van het besluit</a>en de nadere regels die van toepassing zijn op het klein vaarbewijs van overeenkomstige toepassing.
11. Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van het schip aanwezig.
a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; of
b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
2. <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit</a>is niet van toepassing voor pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 40 meter, indien de schipper in het bezit is van:
a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4, voorzien van de aantekening ‘40 meter plus’; of
b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
3. Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:
a. degene die geslaagd is voor het examen groot motorschip van het CBR;
b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend diploma;
c. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of
d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.
4. Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:
a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in werking treden van de wet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of
b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.
5. In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I afgegeven aan de houder van:
a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper;
b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper; of
c. een kwalificatiecertificaat schipper of een CCR-kwalificatiecertificaat schipper dat ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip.
6. In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen II afgegeven aan de houder van:
a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard;
b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard;
c. een geldig zeilbewijs;
d. een geldig klein patent; of
e. een van de onder a tot en met d genoemde documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip.
7. De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot pleziervaartbewijs II.
8. De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.
9. Op het groot pleziervaartbewijs zijn <a href="/wet/BWBR0023009/artikel/30" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 30 van de wet</a>alsmede artikel 1.4van overeenkomstige toepassing.
10. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het groot pleziervaartbewijs <a href="/wet/BWBR0025631/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26 van het besluit</a>en de nadere regels die van toepassing zijn op het klein vaarbewijs van overeenkomstige toepassing.
11. Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van het schip aanwezig.