BWBR0023009
Geldig vanaf 2009-12-03
Artikel 25
Binnenvaartwet
1. Voor het voeren van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen categorieën van schepen is aan de gezagvoerder een geldig vaarbewijs en eventueel een specifieke vergunning afgegeven.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de verschillende soorten vaarbewijzen en specifieke vergunningen en de geldigheidsduur daarvan vastgesteld.
3. Dit artikel is niet van toepassing op de gezagvoerder aan wie een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gelijkwaardig document is afgegeven.
4. Het is verboden een schip te gebruiken zonder dat aan de gezagvoerder het daarvoor vereiste geldige vaarbewijs of de eventueel vereiste specifieke vergunning is afgegeven.
5. Het voeren of als gezagvoerder doen voeren van een schip is verboden aan degene:
a. die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld specifieke vergunning of vaarbewijs voor een gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, gedurende dat gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur,
b. aan wie ingevolge artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet de bevoegdheid tot het voeren van schepen is ontzegd, gedurende de termijn van ontzegging, of
c. van wie de specifieke vergunning, het vaarbewijs of het bewijs van vrijstelling of ontheffing, bedoeld in artikel 31, met toepassing van de artikelen 35a of 35c van de Scheepvaartverkeerswet is ingenomen en niet is teruggegeven.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de verschillende soorten vaarbewijzen en specifieke vergunningen en de geldigheidsduur daarvan vastgesteld.
3. Dit artikel is niet van toepassing op de gezagvoerder aan wie een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gelijkwaardig document is afgegeven.
4. Het is verboden een schip te gebruiken zonder dat aan de gezagvoerder het daarvoor vereiste geldige vaarbewijs of de eventueel vereiste specifieke vergunning is afgegeven.
5. Het voeren of als gezagvoerder doen voeren van een schip is verboden aan degene:
a. die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld specifieke vergunning of vaarbewijs voor een gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, gedurende dat gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur,
b. aan wie ingevolge artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet de bevoegdheid tot het voeren van schepen is ontzegd, gedurende de termijn van ontzegging, of
c. van wie de specifieke vergunning, het vaarbewijs of het bewijs van vrijstelling of ontheffing, bedoeld in artikel 31, met toepassing van de artikelen 35a of 35c van de Scheepvaartverkeerswet is ingenomen en niet is teruggegeven.