BWBR0025631
Geldig vanaf 2011-11-18
Artikel 20
Binnenvaartbesluit
1. Bij de aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs of kwalificatiecertificaat worden overgelegd:
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden;
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs of kwalificatiecertificaat onderscheidenlijk een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
c. overige, bij regeling van Onze Minister nader te regelen, bescheiden.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan bij een aanvraag tot afgifte van een klein vaarbewijs ook worden volstaan met een gezondheidsverklaring, niet ouder dan zesentwintig weken, als bedoeld in artikel 26, eerste lid. De tijd tussen dat moment van overleggen en het afronden van de aanvraag tot afgifte van een klein vaarbewijs mag niet meer dan één jaar bedragen.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, is het overleggen van een geneeskundige verklaring niet vereist wanneer een houder van een geldig kwalificatiecertificaat een aanvraag doet voor een kwalificatiecertificaat van een andere functie, met uitzondering van de functie schipper.
4. Als bewijs van bekwaamheid bedoeld in het eerste lid, onder b, kan dienen een diploma afgegeven na afronding van een erkend opleidingsprogramma, dat voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Richtlijn 2017/2397.
5. Onverminderd het eerste lid kan de aanvrager worden verplicht een vaartijd aan te tonen bij de aanvraag tot afgifte van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning, op een bij regeling van Onze Minister vastgelegde wijze en van een bij regeling van Onze Minister vastgelegde duur.
6. In het geval van ongeldigverklaring van het vaarbewijs mag bij een nieuwe aanvraag tot afgifte geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart.
7. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze van onderzoek als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0023009/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van de wet</a>.
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden;
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs of kwalificatiecertificaat onderscheidenlijk een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
c. overige, bij regeling van Onze Minister nader te regelen, bescheiden.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan bij een aanvraag tot afgifte van een klein vaarbewijs ook worden volstaan met een gezondheidsverklaring, niet ouder dan zesentwintig weken, als bedoeld in artikel 26, eerste lid. De tijd tussen dat moment van overleggen en het afronden van de aanvraag tot afgifte van een klein vaarbewijs mag niet meer dan één jaar bedragen.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, is het overleggen van een geneeskundige verklaring niet vereist wanneer een houder van een geldig kwalificatiecertificaat een aanvraag doet voor een kwalificatiecertificaat van een andere functie, met uitzondering van de functie schipper.
4. Als bewijs van bekwaamheid bedoeld in het eerste lid, onder b, kan dienen een diploma afgegeven na afronding van een erkend opleidingsprogramma, dat voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Richtlijn 2017/2397.
5. Onverminderd het eerste lid kan de aanvrager worden verplicht een vaartijd aan te tonen bij de aanvraag tot afgifte van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning, op een bij regeling van Onze Minister vastgelegde wijze en van een bij regeling van Onze Minister vastgelegde duur.
6. In het geval van ongeldigverklaring van het vaarbewijs mag bij een nieuwe aanvraag tot afgifte geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart.
7. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze van onderzoek als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0023009/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van de wet</a>.