BWBR0030215
Geldig vanaf 2023-05-04
Artikel 18.01
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
1. Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen: A1 vaart van ten hoogste 14 uur,
A2 vaart van ten hoogste 18 uur,
B vaart van ten hoogste 24 uur, telkens binnen een periode van 24 uur.
A1 vaart van ten hoogste 14 uur,
A2 vaart van ten hoogste 18 uur,
B vaart van ten hoogste 24 uur,
2. Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een tachograaf die voldoet aan de eisen van Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en wanneer afgezien van de schipper nog een ander bemanningslid van de minimumbemanning een kwalificatiecertificaat stuurman heeft.
3. Een schip dat in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 wordt geëxploiteerd, moet de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren onderbreken, te weten: a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien de vaartijd wordt geregistreerd door middel van een tachograaf die voldoet aan de eisen van <a href="/wet/BWBR0041395" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN</a>betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en naar behoren functioneert. De tachograaf moet ten minste vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur zijn ingeschakeld en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
A2 vaart van ten hoogste 18 uur,
B vaart van ten hoogste 24 uur, telkens binnen een periode van 24 uur.
A1 vaart van ten hoogste 14 uur,
A2 vaart van ten hoogste 18 uur,
B vaart van ten hoogste 24 uur,
2. Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een tachograaf die voldoet aan de eisen van Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en wanneer afgezien van de schipper nog een ander bemanningslid van de minimumbemanning een kwalificatiecertificaat stuurman heeft.
3. Een schip dat in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 wordt geëxploiteerd, moet de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren onderbreken, te weten: a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien de vaartijd wordt geregistreerd door middel van een tachograaf die voldoet aan de eisen van <a href="/wet/BWBR0041395" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN</a>betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en naar behoren functioneert. De tachograaf moet ten minste vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur zijn ingeschakeld en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.