BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 8
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. Bij het departement kunnen werkzaam zijn:
a. ambtenaren;
b. ambtenaren van Aruba, Curaçao en Sint Maarten welke door Onze Minister in overeenstemming met de regering van Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten, bij het departement zijn gedetacheerd.
c. anderen dan de onder a en b genoemden die door of in overeenstemming met Onze Minister tijdelijk op het departement zijn tewerkgesteld.
2. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen werkzaam zijn:
a. ambtenaren;
b. werknemers als bedoeld in artikel 114;
c. degenen die bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister als honorair consulair ambtenaar zijn aangesteld;
d. honoraire adviseurs, in de zin van artikel 5, tweede lid, onder d.
3. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de in artikel 6genoemde taak
a. in overeenstemming met Onze Minister worden gedetacheerd ambtenaren van een ander ministerie, wier detachering geschiedt door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie;
b. werknemers, bedoeld in artikel 115 werkzaam zijn.
4. Aan de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de in artikel 6genoemde taak door Onze Minister worden toegevoegd ambtenaren van een ander ministerie, dan wel van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten, die met het oog op die tewerkstelling tijdelijk ter beschikking zijn gesteld van Onze Minister.
5. Onze Minister kan voorts, onder door hem te stellen voorwaarden, anderen dan degenen bedoeld in het tweede tot en met vierde lid tijdelijk bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam laten zijn.
6. In bijzondere gevallen kunnen aan tijdelijke diplomatieke zendingen anderen dan de in het tweede, derde, vierde en vijfde lid genoemden, worden toegevoegd.
7. Onze Minister kan, voor wat betreft de dienstverrichtingen van degenen die in het derde, vierde en zesde lid zijn genoemd, in overeenstemming met zijn betrokken ambtgenoot, dan wel met de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten; nadere regelen stellen.
8. Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, stelt in overeenstemming met Onze Minister de vergoedingen en tegemoetkomingen vast welke verband houden met de in het derde lid, onder <em>a</em>, bedoelde detacheringen volgens de regelen die bij of krachtens dit reglement zijn gesteld.
9. Op degenen die ingevolge het vierde lid aan een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland worden toegevoegd, kan Onze Minister bepalingen van dit reglement, welke gelden voor ambtenaren, van overeenkomstige toepassing verklaren.
a. ambtenaren;
b. ambtenaren van Aruba, Curaçao en Sint Maarten welke door Onze Minister in overeenstemming met de regering van Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten, bij het departement zijn gedetacheerd.
c. anderen dan de onder a en b genoemden die door of in overeenstemming met Onze Minister tijdelijk op het departement zijn tewerkgesteld.
2. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen werkzaam zijn:
a. ambtenaren;
b. werknemers als bedoeld in artikel 114;
c. degenen die bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister als honorair consulair ambtenaar zijn aangesteld;
d. honoraire adviseurs, in de zin van artikel 5, tweede lid, onder d.
3. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de in artikel 6genoemde taak
a. in overeenstemming met Onze Minister worden gedetacheerd ambtenaren van een ander ministerie, wier detachering geschiedt door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie;
b. werknemers, bedoeld in artikel 115 werkzaam zijn.
4. Aan de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de in artikel 6genoemde taak door Onze Minister worden toegevoegd ambtenaren van een ander ministerie, dan wel van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten, die met het oog op die tewerkstelling tijdelijk ter beschikking zijn gesteld van Onze Minister.
5. Onze Minister kan voorts, onder door hem te stellen voorwaarden, anderen dan degenen bedoeld in het tweede tot en met vierde lid tijdelijk bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam laten zijn.
6. In bijzondere gevallen kunnen aan tijdelijke diplomatieke zendingen anderen dan de in het tweede, derde, vierde en vijfde lid genoemden, worden toegevoegd.
7. Onze Minister kan, voor wat betreft de dienstverrichtingen van degenen die in het derde, vierde en zesde lid zijn genoemd, in overeenstemming met zijn betrokken ambtgenoot, dan wel met de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten; nadere regelen stellen.
8. Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, stelt in overeenstemming met Onze Minister de vergoedingen en tegemoetkomingen vast welke verband houden met de in het derde lid, onder <em>a</em>, bedoelde detacheringen volgens de regelen die bij of krachtens dit reglement zijn gesteld.
9. Op degenen die ingevolge het vierde lid aan een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland worden toegevoegd, kan Onze Minister bepalingen van dit reglement, welke gelden voor ambtenaren, van overeenkomstige toepassing verklaren.