BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 45aa
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, behoudt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 45a, eerste lid, een aanvang heeft genomen.
2. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum van bevalling.
3. De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
4. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die periode bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
5. De artikelen 45a, vijfde en zesde lid, 54e, tweede lid, en 57, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum van bevalling.
3. De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
4. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die periode bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
5. De artikelen 45a, vijfde en zesde lid, 54e, tweede lid, en 57, zijn van overeenkomstige toepassing.