BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 12
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. Allen die bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam zijn, oefenen hun werkzaamheden uit overeenkomstig de voorschriften dan wel aanwijzingen die bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister zijn gesteld of gegeven, onverminderd het tweede tot en met vijfde lid.
2. Zij staan daarbij onder leiding van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland of, bij diens afwezigheid of verhindering, van degene die met de leiding of waarneming is belast.
3. De ambtenaren bedoeld in het derde lid van artikel 8, oefenen hun werkzaamheden uit overeenkomstig de voorschriften en aanwijzingen welke worden gegeven door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, behoudens bedenkingen van Onze Minister of van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, in welk geval gehandeld dient te worden overeenkomstig de regeling welke ter zake door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, is vastgesteld.
4. Voor wat ontwikkelingssamenwerking betreft, worden deze voorschriften en aanwijzingen vastgesteld door Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
5. Voor wat economische werkzaamheden betreft, worden deze voorschriften en aanwijzingen vastgesteld op de door Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken overeengekomen wijze. Binnen het kader van deze overeenkomst zijn de Directeur-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen, alsmede de Directeur voor Exportbevordering en Economische Voorlichting, ter zake van economische onderwerpen bevoegd, onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Economische Zaken rechtstreeks bijzondere instructies aan de hoofden der vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland te geven.
2. Zij staan daarbij onder leiding van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland of, bij diens afwezigheid of verhindering, van degene die met de leiding of waarneming is belast.
3. De ambtenaren bedoeld in het derde lid van artikel 8, oefenen hun werkzaamheden uit overeenkomstig de voorschriften en aanwijzingen welke worden gegeven door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, behoudens bedenkingen van Onze Minister of van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, in welk geval gehandeld dient te worden overeenkomstig de regeling welke ter zake door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, is vastgesteld.
4. Voor wat ontwikkelingssamenwerking betreft, worden deze voorschriften en aanwijzingen vastgesteld door Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
5. Voor wat economische werkzaamheden betreft, worden deze voorschriften en aanwijzingen vastgesteld op de door Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken overeengekomen wijze. Binnen het kader van deze overeenkomst zijn de Directeur-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen, alsmede de Directeur voor Exportbevordering en Economische Voorlichting, ter zake van economische onderwerpen bevoegd, onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Economische Zaken rechtstreeks bijzondere instructies aan de hoofden der vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland te geven.